Stichting Feest der Poëzie presenteert een programma met voordracht en muziek onder de titel Tweespalt – over Frederik van Eeden. Voordrachtskunstenaar Simon Mulder, sopraan Saskia de Man-Martig en pianist Daan van de Velde nemen je mee door het leven van Frederik van Eeden, met gedichten, brieven en liederen die zelden worden uitgevoerd.
Frederik van Eeden (1860–1932) was een van de veelzijdigste en fascinerendste figuren in de Nederlandse cultuur van de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Met ongeveer alles wat er toen speelde, hield hij zich bezig. Hij schreef gedichten, romans, toneelwerk en essays, was psychiater, taalwetenschapper, politiek en ecologisch activist, New Age-denker avant la lettre, imker en nog veel meer.
Frederik van Eeden. Portret door Koos Speenhoff, 1927.Verschillende hoogte- en dieptepunten uit zijn leven komen voorbij: zijn rol in de literatuurvernieuwing door de Tachtigers, zijn ruzie met Lodewijk van Deyssel over diens roman Een liefde, de oprichting van de zelfvoorzienende kolonie Walden in Bussum, zijn internationale contacten in onder meer de Forte Kreis, zijn bekering tot het katholicisme en zijn tragische levenseinde.
In dit programma klinken onder meer het verstilde ‘De waterlelie’ van Frederik van Eeden, het sfeervolle ‘De klare dag’ van Alphons Diepenbrock, het ontroerende ‘Ik ben in eenzaamheid’ op tekst van Lodewijk van Deyssel en het strijdlustige ‘Stort o arbeiders’ van Herman Gorter. Daarnaast zijn liederen te horen van Jan Brandts Buys, Hugo Nolthenius, Willem Andriessen en andere componisten die zich lieten inspireren door de grote schrijvers van hun tijd.
Onlangs verscheen Zwijgen is nu een misdaad. Toonaangevende Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog van de hand van Bart Slijper. Hij ruimt in dit boek een belangrijke plaats in voor Frederik van Eeden.
Het boek is een uitwerking van Slijpers eerdere artikel ‘Frederik van Eeden en Romain Rolland tegen de domheid en de haat’, verschenen in De Parelduiker 30 (2025), nr. 2. Wij schonken daar in maart aandacht aan. Uit de omslagtekst van Zwijgen is nu een misdaad:
Zoals Stefan Zweig eens zei was het hele Europese continent tijdens de Eerste Wereldoorlog volgepompt met haat. Tijdens de oorlog hielden hij en prominente auteurs als Romain Rolland en Frederik van Eeden over de grenzen heen contact, om met de kracht van hun woord een tegenwicht te bieden. In dit panoramische verhaal over de strijd tegen de allesbeheersende oorlogspropaganda horen we verder de stemmen van Heinrich en Thomas Mann, Roger Martin du Gard, Marcel Proust, Ernst Toller, Joseph Roth en Konstantin Paustovski, ieder voor zich of reagerend op de anderen. Zij zetten de waanzin in een ontluisterend licht en ontwikkelden ondertussen ideeën over hoe het na de oorlog verder moest met het verscheurde Europese continent.
Frederik van Eeden komt vooral ter sprake in hoofdstuk 3, ‘De publieke opinie in Europa hervormen’.
Bart Slijper, Zwijgen is nu een misdaad. Toonaangevende Europese schrijvers tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2026.
In december 2025 verscheen de biografie over schrijver Arthur van Schendel (1874–1946), Onveranderlijk zichzelf. Biograaf Rob Groenewegen signaleert zelf in zijn nawoord dat zijn opdracht een lastige is: ‘Maar hoe iemand op papier tot leven te brengen die weinig tot niets over zichzelf prijsgaf?’ (p. 263). Toch staat in deze biografie vooral het leven van Arthur van Schendel centraal en niet zijn oeuvre.
Over Een zwerver verliefd (1904), Het fregatschip Johanna Maria (1930), De Waterman (1933), Een Hollandsch drama (1935), boeken die onder scholieren mateloos populair waren in tijden dat het fenomeen ‘leeslijst’ nog van belang was, krijgen we maar weinig informatie. Wel schetst Groenewegen hoe Van Schendel deel uitmaakt van de literatuur en de maatschappij van het interbellum. Hij ontmoet tijdgenoten als Willem Witsen, Willem Kloos, Frederik van Eeden en Jan Toorop. Ook met latere literatoren als Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Eddy du Perron had Van Schendel contact.
Het enorme oeuvre van Van Schendel kwam tot stand omdat iedere dag gewerkt moest worden, zelfs op het strand van het Italiaanse Sestri Levante waar hij lang woonde. Collega’s vertellen dat hij zich vaak terugtrok uit een gezelschap, de schuifdeuren sloot en zijn potlood pakte. De biograaf schrijft zelfs dat Van Schendels werkkracht ten koste lijkt te zijn gegaan van zijn gezondheid in zijn laatste jaren. Als hij een onderscheiding of prijs kreeg, vond hij dat ongemakkelijk en kwam liever niet.
Zijn persoonlijke leven was rijk aan drama’s, waarbij het overhaaste huwelijk met de rijke Bertha Zimmerman, die een onwettig kind had van een getrouwde man en vlak na de bevalling in het geheim met Van Schendel trouwde, voor Van Eeden-volgers interessant is. We komen daar hieronder op terug.
Naast een negatieve recensie van Owen Donkers op het literaire weblog Tzum, die vooral het taalgebruik en de zinsconstructies van Groenewegen veroordeelt, heeft ook Petra Teunissen-Nijsse op Biografieportaal niet veel lof voor de biografie:
Tja, wat blijft er over als je een biografie schrijft over een auteur en niet het werk wil analyseren en ook geen psychologische duiding van het leven wil geven? Een kroniek, een verzameling anekdotes en veel vragen. Die vragen stelt Groenewegen gelukkig zelf, bijvoorbeeld over Van Schendels afschuwelijke jeugdjaren. Waar kwam de verafgoding van Kloos vandaan? Had Van Schendel voor zichzelf geen extra verantwoording nodig om in het fascistische Italië te wonen? Zou Van Schendel zijn verleden niet kunnen hebben aangepast aan latere persoonlijke opvattingen. De biograaf stelt zelfs tientallen uitstekende vragen zoals bovenstaande, maar helaas zijn de antwoorden schaars: “een punt als dit komt nergens ter sprake in Van Schendels – bewaard gebleven – brieven.” […] Helaas, deze biograaf liet mij verdwaald achter in het leven van Van Schendel.
Van Schendel trouwde met zijn eerste vrouw Bertha Zimmerman, en daar in de biografie is de link met Frederik van Eeden. Eerst al heeft Groenewegen gemeld dat voor een beoordeling van een eventuele bevordering in 1891 naar de tweede klas van de Tooneelschool in Amsterdam Arthur van Schendel een van zijn eigen verzen voordroeg, opgedragen aan Frederik van Eeden (p. 47). Het begint als volgt:
Fel flonkerend stralend-goud in purperwaas,
Van wraakzucht gloeiend daalt de avondzon
In ’t bloedig Westen neer gevolgd door tergend
Spotgekrijsch van gieren strijkend op de
Malsche verschgevelde menschenlijken
En schaterlachend om den broedermoord;
[…]
Dan is er nog zeker sprake van bewondering voor de oudere schrijver. En in september 1891 stuurt Van Schendel, nog steeds pas zeventien jaar, tot twee keer toe een brief aan Frederik van Eeden met het verzoek enkele van zijn gedichten in De Nieuwe Gids te plaatsen. Beide brieven blijven onbeantwoord.
Later hebben beide schrijvers elkaar alsnog ontmoet. Van Eeden schrijft op 17 november 1896 in zijn dagboek: ‘Thuis vond ik van Schendel , daarmee den ganschen avond gepraat.’ Vermoedelijk is het verschijnen van de roman Drogon (1896) hier de aanleiding toe geweest. En in een brief schrijft Van Schendel Frederik van Eeden (6 februari 1897): ‘Toen ik drie dagen in Engeland was wilde ik u al dadelijk schrijven, en wel over het eten hier, speciaal met betrekking tot de bijzondere spijzen die ik bij u genoten heb. Maar dat zou ongepast geweest zijn.’
Maar dan Bertha Zimmerman (1870), jongste dochter in een deftig gezin van zes kinderen. Vermoedelijk ontmoette Van Schendel al in 1901 in de lompenmolen aan de Tolstraat in Amsterdam de hoogzwangere Bertha Zimmerman. In juni 1901 werd haar dochter Hubertina geboren. Vader was de getrouwde Willem van Meurs, die we in het ook door Groenewegen geraadpleegde Walden-dagboek voor het eerst vermeld zien in februari 1898: ‘Van Oordt in ’t complot, later Van Meurs en Steenhoff.’ (Walden in droom en daad, Walden-dagboek en notulen van Frederik van Eeden e.a., 1898–1903, ed. J.S. De Ley en B. Luger, Amsterdam 1980, p. 64).
Toen Bertha vier jaar oud was, overleed haar moeder, haar vader viel ten prooi aan zwaarmoedigheid. Naar het schijnt is Bertha bij Van Eeden in therapie geweest. Ze schrijft hem althans op 11 juli 1899 een brief, waarin ze gewag maakt van het feit dat er onder haar leiding iets goed mis is gegaan in haar fröbelschool of in het weeshuis die onder haar leiding stonden. De brief is te lezen als een afscheid van Walden.
Maar eerder, in april 1898, weet Van Eeden Bertha ervan te overreden een bedrag van dertigduizend gulden beschikbaar te stellen om ‘voor haar’ villa Cruysbergen te kopen. Groenewegen: ‘In de eerste week van juli vond de overdracht plaats, en had de dwingeland zijn zin gekregen.’ (p. 84). In een noot voegt Groenewegen eraan toe: ‘Naar verluidt zou later onder de bewoners van Walden het gerucht zijn rondgegaan dat Van Eeden haar door middel van hypnose zo gek had weten te krijgen.’ (p. 279). Woordkeus en speculatie laten we maar even voor verantwoording van Groenewegen. In het Walden-dagboek lezen we de nuchtere notities: ’24 April. Bertha Zimmerman gevraagd of ze Cruysbergen wou koopen.’ (Walden, p. 66) en: ’26 April. Cruysbergen gekocht voor B. Zimmerman.’ (Walden, p. 67).
In ieder geval krijgt de familie Zimmerman lucht van deze transactie en van het feit dat Bertha elke maand honderd gulden aan Van Eeden doneerde. Oudste broer Willem Zimmerman schrijft Van Eeden een woedende brief. Het conflict laait hoog op en de familie Zimmerman dreigt Bertha onder curatele te stellen. Dat Bertha van haar familie niet op Walden mag wonen noteert Van Eeden als volgt in het Walden-dagboek: ‘1 Sept. Bertha Zimmerman wil niet op Cruysbergen komen. Ik zie van Cruysbergen af.’ (Walden, p. 72).
In juli 1899 komt Betsy van Hoogstraaten Van Eeden financieel te hulp en betaalt aan Bertha de helft van die dertigduizend gulden terug. Voor de andere helft (dus vijftienduizend gulden, het equivalent van het huidige bedrag van een half miljoen euro) gaat Van Eeden een renteloze hypotheek bij Bertha aan op voorwaarde dat die uiterlijk 1 mei 1905 zou zijn afgelost. Van Eeden: ‘28 Juni. Bertha Zimmerman geeft volmacht aan haar broer, die dreigt Cruysbergen te verkoopen. Ik bied aan Cruysbergen te koopen op crediet. Het maaien begint.’ (Walden, p. 84) en: ‘1 Juli. Regen, er liggen nog vier wagens hooi te veld. Labberton weer hier. Beslissing dat ik met mevr. Van Hoogstraten Cruysbergen zal koopen, voor 30.000, mijn helft bestaande uit een rentelooze hypotheek tot 1905. Dit ’s avonds meegedeeld aan de Zaterdagavond krans, en hen toegesproken om tot hard werk en soberheid te manen.’ (Walden, p. 85).
In januari 1901 laat de zwangere Bertha een testament opmaken waarin ze verklaart dat bij haar dood alle schulden die Van Eeden aan haar heeft, worden kwijtgescholden. Van Eeden stelt ze daarvan op de hoogte. In april laat ze een nieuw testament opstellen waarin haar kind (of kinderen) tot enige erfgenaam wordt benoemd. Van deze wijziging wordt Van Eeden niet op de hoogte gesteld.
In 1902 reizen Arthur van Schendel, Bertha en dochter Hubertina naar Engeland, waar ze in augustus in Londen in alle stilte trouwen. Gelijk daarop erkent Van Schendel Hubertina (‘Bartje’) formeel. En dus is Arthur van Schendel nu partij geworden in het conflict tussen de familie Zimmerman en Frederik van Eeden. Want alles wat op de grond van Walden stond zou gemeenschappelijk bezit moeten worden en dus heeft Van Eeden, uitgaande van het eerste testament van Bertha, haar gevraagd de hypotheek teniet te doen, niet ten gunste van hem, maar ten gunste van de vereniging. Van Schendel, als echtgenoot van Bertha verantwoordelijk voor het beheer over haar vermogen en handelen, deelt mee dat van het schrappen van de hypotheek geen sprake kan zijn.
In de zomer van 1903 zet Van Eeden de volgende stap: hij laat een notaris melden dat hij een lap grond van Cruysbergen wil verkopen en dat de hypotheek er dus af moet. En: ‘Ook verzocht van Eeden mij u te vragen of u de geheele hypothecaire vordering aan hem wilde afstaan voor een matige vergoeding. Hij verklaart dat Mevrouw hem in der tijd heeft beloofd de geheele hypothecaire vordering te schenken, maar zoo noodig is hij bereid daarvoor iets te betalen.’ Aldus notaris K.J. Perk op 8 augustus 1903 aan Bertha Zimmerman en Arthur van Schendel (p. 88). Vervolgens wil Van Eeden de schuld afkopen met een bedrag van tienduizend gulden. De Van Schendels weigeren wederom, waarop Van Eeden een woedende brief schrijft; hij weigert de hypothecaire schuld te erkennen, uit brieven van ‘mej. Zimmerman, thans Mevrouw van Schendel’ blijkt dat het altijd als een schenking is bedoeld. Voor Van Schendel en Bertha is dan de maat vol en Van Schendel schrijft vervolgens een gedetailleerde brief naar twee advocaat-procureurs, gedateerd 30 december 1903 (p. 89–92).
Het antwoord stelt hen geheel gerust, de hypothecaire vordering is waterdicht. Toch doet Van Eeden nog een laatste poging een paar dagen voor het aflopen van de hypotheek. Op 23 april 1905 schrijft hij de dan al zieke Bertha: ‘Nu vraag ik je voor het laatst, zul je je geweten bezwaren met een laaghartige woordbreuk, waarvan niet ik de dupe zal zijn, maar alleen de arme, hardwerkende arbeiders?’ Het is onduidelijk hoe Van Eeden er in geslaagd is enkele dagen later de hypotheek toch te kunnen inlossen. In zijn persoonlijke dagboek schrijft hij, 30 april 1905: ‘Geloopen om het geld te krijgen voor de hypotheek. Bitter verontwaardigd over de laffe, laaghartige menschen.’
Roel Jonker
Rob Groenewegen, Onveranderlijk zichzelf. Het leven van Arthur van Schendel (1874–1946), Zutphen: Walburg Pers, 2025.
Willem Pijper, geboren in 1894, was ontegenzeggelijk een dubbeltalent. Componist en letterkundige, auteur van vileine en virtuoos geschreven muziekrecensies in het Utrechts Dagblad. En volgens de schrijver Hendrik Marsman, dorps- en generatiegenoot uit Zeist, zelfs ook ‘haremhouder’. Neerlandicus Arthur van Dijk beschrijft in de in 2025 uitgekomen biografie uitgebreid de persoon Pijper, zijn muzikale activiteiten komen minder uitvoerig aan de orde.
In deze biografie, Een lied dat niet sterven zal, lezen we dat Willem Pijper zich als jongeling van tweeëntwintig jaar heeft laten inspireren door Frederik van Eeden. Van Dijk schrijft dat Pijper in juni 1917 werkt aan een suite voor orkest, geïnspireerd op Van Eedens De kleine Johannes. In die maand heeft hij daar twee delen van af. In september van dat jaar blijkt dat Pijper werkt aan een Eerste Symfonie, hij licht deze compositie zelf toe in een brief van 24 september aan componist en dirigent Jan van Gilse van het Utrechtsch Stedelijk Orchest:
Ik noemde het symfonie, omdat het te groot van afmeting en conceptie geworden is voor het begrip suite. En voor het programmatische deel voel ik ten slotte weinig – ik geloof dat men – tenminste de muzikale ‘men’ – er meer aan zal hebben zónder De kleine Johannes-associaties.
Een eerste ontmoeting tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden vindt op 23 september 1917 plaats bij een wederzijdse kennis; vervolgens bezoekt Pijper op 14 oktober het echtpaar Van Eeden op Walden. Over dit bezoek schrijft Van Eeden in zijn dagboek:
Gisterenavond waren bij mij de componist Pijper met zijn verloofde, juffrouw Werker en De Winter. Hij speelde een symfonie voor die geïnspireerd was door De kleine Johannes. Het laatste gedeelte is De Dood van Pan. Hij is zeer modern en zijn muziek vol dissonanten. Ook had ik soms een demonische indruk. Ook Truida voelde dat. Maar het is zeer knap werk.
Maar het is duidelijk dat wat eerst nog werd opgezet als een suite ter illustratie van het boek, is uitgegroeid tot een autonome symfonie, die mogelijk wel dezelfde associaties oproept als het werk van Van Eeden. Want als de Eerste Symfonie van Pijper op 25 april 1918 onder Willem Mengelberg in première gaat, schrijft Pijper in de programmatoelichting:
Wanneer ik de stemmingen van het werk en van de onderdelen moest gaan omschrijven, zou ik waarschijnlijk het best fragmenten uit Frederik van Eedens De kleine Johannes kunnen citeren. De hele symfonie is natuurbeschrijving, er is geen enkel menselijk-psychologisch conflict in het stuk en Van Eedens beschrijvingen van een feest in een konijnenhol, van een maannacht in het duin, van een kabouter- en paddenstoelenmilieu, zijn visionaire schilderingen van Vader Pans tragische dodenstoet, geven de stemmingen virtuozer en raker dan ik het zou kunnen doen. Hiermede is niet gezegd dat de symfonie een muzikale illustratie is van het bekende boek, zoals sommigen nog steeds schijnen te menen, maar wél zou ik mij kunnen voorstellen dat de lectuur ervan bij de lezer soortgelijke gevoelens wekte als het muziekstuk bij de toehoorder.
De recensies vermelden dat deze Eerste Symfonie van Pijper onmiskenbaar Mahleriaans is. Van Eeden maakt in zijn dagboek geen enkele toespeling op deze première. De naam ‘Pijper’ verschijnt trouwens niet meer op de vele latere bladzijden. Ook Arthur van Dijk doet in de biografie verder geen enkele mededeling over later contact tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden. Het is dus gebleven bij de kortstondige flirt van de jonge Pijper met het werk van Frederik van Eeden.
Roel Jonker
Arthur van Dijk, Een lied dat niet sterven zal. Het rusteloze leven van Willem Pijper (1894–1947), Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2025.
In het tijdschrift over schrijvers en literatuur De Parelduiker publiceerde Bart Slijper een artikel over het contact tussen Frederik van Eeden en de Franse schrijver en Nobelprijswinnaar Romain Rolland.
Aan de hand van correspondentie tussen beiden uit 1913–1917 laat Bart Slijper zien hoe de pacifist Romain Rolland vanuit Genève een compromisloze strijd tegen de Eerste Wereldoorlog voerde en Frederik van Eeden hem met woord en daad bijstond. Slijper beschrijft vooral hoe beiden vanuit neutraal gebied trachtten figuren als Stefan Zweig ervan te overtuigen dat deze zich geen juist beeld konden vormen van de rol van Duitsland en Oostenrijk in de oorlog. En de censuur blokkeerde elk bericht over welke vredesinitiatieven dan ook.
Vóór 1914 was er veel contact tussen ‘koninklijke denkers en dichters’ als Van Eeden, Rolland, Zweig, Erich Gutkind en Walther Rathenau, maar zodra de oorlog is uitgebroken maken de ideeën over een Europese vredesbeweging bij de meeste Duitse en Franse vertegenwoordigers plaats voor nationalisme. Rolland klaagt in zijn brieven dat hij ‘de waarheid er niet door krijgt’ bij zijn Duitse en Oostenrijkse contacten en dat de Franse en Engelse pers ook onbetrouwbaar is. Als Rolland gaat twijfelen over hun invloed op de publieke opinie probeert Van Eeden hem in zijn brieven weer op te beuren. Aan de andere kant, Rolland weet van zichzelf dat hij toch ook onafhankelijk wil blijven.
Heel diep gaat Bart Slijper niet in op de pogingen vóór 1914 een internationale vredesbeweging op te zetten. Voor wie over deze periode en vooral over de rol van Frederik van Eeden meer wil weten, is er het gedetailleerde artikel van Guido van Hengel getiteld ‘Een eeuwig groeiend, zich transformerend organisme. Over de vriendschap van Frederik van Eeden en Erich Gutkind’ in Mededelingen LXII (december 2018), een uitgave van het Frederik van Eeden-Genootschap.
Bart Slijper, ‘De publieke opinie in Europa hervormen. Frederik van Eeden en Romain Rolland tegen de domheid en de haat’, De Parelduiker 30, nr. 2 (2025), p. 16–31.
Jan Brokken beschrijft in zijn in 2024 verschenen boek De ontdekking van Holland de geschiedenis van het Volendamse Hotel Spaander. Ook Frederik van Eeden was er meermalen te gast.
De gastvrijheid van uitbaters Leendert en Aaltje Spaander, de levendige avonden en de ateliers op de begane grond bleken vanaf 1881 een magneet voor grote aantallen kunstenaars. Uit de hele wereld kwamen ze naar Volendam: ruim 1400 schilders, onder wie zo’n 200 vrouwen. Wat ze aan de Zuiderzee ontdekten, waren de typisch Hollandse luchten en het destijds al beroemde Hollandse licht, maar ook verdraagzaamheid en openheid. Ook Frederik van Eeden bezocht Volendam met enige regelmaat, zoals blijkt uit onderstaande fragmenten uit De ontdekking van Holland. Niet altijd komt hij er bij Brokken gunstig van af:
Sluiter [de schilder Willy Sluiter, RJ] was een van de eersten die Hille Butter portretteerden, een Volendamse demimondaine die met een varensgast was getrouwd en tijdens de maanden dat haar man buitengaats was de bloemetjes buitenzette. Voor haar kwam de schrijver Frederik van Eeden, de sensuele estheet die er sowieso al twee vrouwen op na hield, speciaal naar Volendam. (p. 133)
Of:
Frederik van Eeden had een hekel aan ze [aan Leendert en Aaltje Spaander, de waard en de gastvrouw, RJ]. Zoals hij ook een hekel aan beeldende kunstenaars had, en aan Amerikanen die met hun dollars alles menen te kunnen kopen, en aan de heer en mevrouw Spaander die met hun zeven dochters zowel kunstenaars als Amerikanen naar hun hotel wisten te lokken en daar een bom duiten aan overhielden. In de beschrijving van Frederik van Eeden is Spaander een soort plezierhuis voor kunstenaars. Maar zo zagen de Volendammers dat niet. (p. 135)
En nog meer over Hille Butter…
Frederik van Eeden raakte niet over haar uitgepraat. ‘Zaterdag gingen wij naar Volendam over Marken. En ik bezocht mijn vriendinnen daar Hille Baap en Hille Butter. Het slaagde alles heerlijk. Het is verbazend zoals dat plaatsje mij boeit, met het Hollandsche oer-ras, dat er nog in krachtigen bloei verkeert.’ Van Eeden schreef dat in 1915 in zijn dagboek, toen kon oer-ras misschien nog. Hij koesterde een levenslange fascinatie voor jonge vrouwen van eenvoudige komaf die het vertikten om zich in het strikt burgerlijke keurslijf te laten rijgen. Ze waren stof voor zijn romans en hij wilde ze op het goede pad brengen of op het goede pad houden – vandaar dat hij zo het ‘gezonde’ in Hille Butter benadrukte. Toen hij in Parijs een verhouding kreeg met een aan morfine verslaafde prostituee, was dat omdat ze ‘goede ogen’ had. Van Eeden zag zichzelf in de eerste plaats als arts en psychiater wiens taak het was levens te redden. Hij voelde zich weliswaar ‘als man’ tot haar aangetrokken, maar ging ieder lijfelijk contact uit de weg: hij wilde haar uit de goot halen en niet misbruiken. Geheel onbaatzuchtig was dat trouwens niet, tot aan haar naam toe ze heette Jeanne Fontaine – gebruikte hij haar als model voor Hedwig Marga de Fontayne, de hoofdpersoon van Van de koele meren des doods. Bij Hille Butter was hij aan het verkeerde adres: ze vond het leven dat ze leidde eerder razend interessant dan verwerpelijk en hoefde niet gered te worden. (p. 159)
Bij Van Eeden speelde als voornaamste rol dat hij telkens weer bewijzen wilde dat hij zijn hartstochten ondergeschikt kon maken aan zijn wil. Hij voelde zich duidelijk aangetrokken tot Hille, sterk aangetrokken zelfs, Hille was tijdens die tweede ontmoeting in 1915 vierentwintig jaar en geen man ging aan haar voorbij zonder het hoofd om te draaien. Van Eeden zal zich met zijn vijfenvijftig jaar gelukkig hebben geprezen dat zij hem nog wilde ontvangen. Maar zijn lonken zal zich beperkt hebben tot langdurige, vermakelijke en openhartige conversatie. Hille nam geen blad voor de mond, wat Van Eeden behaaglijk gevonden zal hebben, bijna zoiets als een streling, een streling voor het oor. Een reputatie zei haar niets, het ging haar erom wat iemand te berde bracht, en daar reageerde ze serieus op, in alle eerlijkheid. Van Eeden kon uren met haar praten. Op Hotel Spaander keek hij neer alsof het een bordeel was: alles draaide daar om ‘geld en flirtation’, hij vond het ‘minderwaardig ver beneden de gezonde sfeer van de dorpelingen’. (p. 160)
Uit Van Eedens dagboek citeert Brokken:
En prachtig waren de huisjes en buurtjes, hel-kleurig, blauw en groen – met de groen-bekroosde sloten en vaarten er tussendoor en de blauwe ophaalbruggetjes. En overal de aardige kindertjes met hun klompjes en mutsjes. Nu begrijp ik de bewondering der Amerikanen voor dat oord. Het is werkelijk een echt stuk Hollands oerleven. En alles slentert daar en babbelt, neerhurkend aan den dijk of voor de huisjes. Er wordt vis aangebracht en geveild. Ertussendoor dwalen de vreemden, artiesten en sportslui, door de inboorlingen getolereerd zonder eerbied en ook zonder minachting, een zonderlinge mengeling. (p. 162)
En Brokken constateert vervolgens: ‘Ik moet het Van Eeden nageven: dit dorp maakt veel bij je los.’
Jan Brokken, De ontdekking van Holland, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2024.
Was Frederik van Eeden een ‘fanatieke fantast’? In het boek Fanatieke fantasten (2025) van Henri Beumers is hij slechts een bijfiguur, maar toch duikt hij er regelmatig in op.
Het populair-wetenschappelijke cultuurhistorische overzicht van begin 20ste eeuw wint de laatste jaren aan populariteit. Na onder andere Philipp Bloms De duizelingwekkende jaren (2009) over de jaren 1900–1914 en zijn Fracture. Life and Culture in the West 1918–1938 (voor zover ik kon nagaan niet vertaald), Auke van der Wouds De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900 (2015) en Frank Bokerns De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle (2024) is in 2025 van de hand van emeritus hoogleraar journalistiek (Erasmus Universiteit Rotterdam) Henri Beunders het Interbellum-overzicht Fanatieke fantasten verschenen, met een nadruk op de visionaire denkers van die tijd.
Beunders voert als hoofdpersonen de Duitse architect Herman Sörgel en de Nederlandse ingenieur en Minister van Waterstaat Cornelis Lely op. Beunders is zelf opgegroeid in Emmeloord; zijn fascinatie voor de visionaire plannen van Lely zal daar ontstaan zijn. Sörgel, in ons land iets minder bekend, was terzelfdertijd een ambitieuzer plan toegedaan: het indammen van de Middellandse Zee met een titanische dam in de Straat van Gibraltar.
Het boek is een thematische reis door verschillende cultuurproblemen en ideeën uit het Interbellum, met hier en daar een uitstapje naar het fin de siècle en naar onze tijd. Het is af en toe lastig er een systematiek in te vinden; Beunders springt vaak van de hak op de tak en sleept Lely, die hoewel visionair toch ook een tamelijk solide burgerman was, en de excentrieke Sörgel er soms met de haren bij. Het geheel wordt op den duur anekdotisch (hoewel het leuke anekdotes zijn) en retorisch rommelig, waarbij er veel mogelijkheden tot een verdiepend verband met de actualiteit blijven liggen. De eindconclusie dat fanatieke fantasten juist nodig zijn en dat visie een belangrijk deel van de vooruitgang en het oplossen van onze huidige problemen uitmaakt, is ongetwijfeld waar, maar daarmee niet geheel ondersteund.
Frederik van Eeden heeft een bescheiden rol als ‘fanatieke fantast’, maar duikt regelmatig in het verhaal op: eerst als schrijver van Van de koele meren des doods (1900) in een stuk over het vrouwbeeld rond 1900; dan als schrijver van Het Godshuis in de Lichtstad (1921), waarmee hij als utopisch en geestelijk denker wordt gecontrasteerd met de praktische Lely, die ‘horizontaal’ in polders denkt waar Van Eeden ‘verticaal’ naar hemelse hoogten streeft; als schrijver van een artikel in De Amsterdammer in het Zuiderzeenummer (1918) dat pleit voor Lely’s plan, omdat zijn idee van collectieve landbouw in de nieuwe polders kan worden toegepast; en als voorbeeld in het verzet tegen de moderne stedenbouw met zijn oprichting van de plattelandskolonie Walden.
Het boek bevat een index en een literatuurlijst per hoofdstuk; voor de precieze bibliografische verwijzingen is een website opgezet: www.fanatiekefantasten.nl. Deze gegevens zijn dus niet te vinden in het boek zelf; een QR-code achterin het boek leidt de lezer erheen.
Henri Beunders, Fanatieke fantasten. Dromen over het redden van de wereld, Zutphen: De Walburg Pers, 2025.
In 1900 verscheen Frederik van Eedens roman Van de koele meren des doods. 125 jaar na publicatie hertaalde Albert Kroezemann deze tijdloze klassieker in hedendaags Nederlands met behoud van het oorspronkelijke karakter van de tekst.
Van de koele meren des doods geeft een indringend portret van de gevoelige en intelligente Hedwig Marga de Fontayne. Haar moeder overlijdt als ze dertien jaar is, waardoor het gezin het zwaar te verduren krijgt en haar vader aan de drank verslaafd raakt. Haar huwelijk met Gerard is een vlucht en ze krijgt daarnaast een relatie met de succesvolle pianist Ritsaart. Samen met hem trekt ze naar Engeland, waar ze zwanger raakt. Dan treft het noodlot haar en raakt ze aan de zelfkant van het bestaan. Is het mogelijk om de neergang van haar leven te stoppen?
Albert Kroezemann (Spijkenisse, 1963) studeerde Nederlands aan de Hogeschool Rotterdam. Hij werkt op het Develstein College in Zwijndrecht. Eerder hertaalde hij Langs lijnen van geleidelijkheid en De stille kracht van Louis Couperus. Verder publiceerde hij Naar Indiës blauwe bergen. Op reis met Louis Couperus.
Dietske Geerlings schreef een recensie over deze hertaling op het literaire weblog Tzum:
De schoonheid van de menselijke ziel
Niet eerder zag ik het steeds maar van kleur en vorm veranderende karakter van een fijnbesnaarde ziel zó wonderschoon bijeengehouden in de taal als in Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden. Ja, ik las dit boek eerder, jaren geleden, en ook toen was ik er totaal door overrompeld. Eigenlijk was ik een beetje bang voor de hertaling van Albert Kroezemann, bang om mijn mooie herinnering te verliezen door taal die misschien niet zou passen bij de tijd, en dacht – geheel tegen mijn gewoonte in – dat ik misschien alleen zou bladeren om een vluchtig oordeel te kunnen schrijven. Maar nee, ik heb ook deze hertaling woord voor woord gelezen, zoals je hardop in je hoofd kunt voorlezen, traag, tegen alle drukte van de tijd in. Lees verder op het literaire weblog Tzum.
Frederik van Eeden, Van de koele meren des doods. Hertaling
Albert Kroezemann. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2025, € 25,00.
Op het literaire weblog Tzum verscheen in de rubriek Schrijversbiotopen een reportage van Albert Kroezemann over ‘Frederik van Eeden op vakantie in Mijnsheerenland’:
Er is niets behalve de eeuwigheid
Op een mooie maandagmorgen in mei 2025 sta ik voor de voorname inrijpoort van ’t Hof van Moerkerken in Mijnsheerenland. De hoge pijlers van de poort zijn bekroond met ronde, bewerkte vazen en aan de voorzijde zie ik wapenschilden afgebeeld. De pijlers zijn aan de bovenzijde verbonden door een houten balk waarop de naam van het landgoed staat. Aan beide kanten van de gemetselde boogbrug staan de breed uitstaande hekpalen en obelisken. Verderop zie ik het landhuis al liggen. Lees verder op het literaire weblog Tzum.
Tekening van Frederik van Eeden, met korenmolen De goede hoop en links het dorpje Westmaas.
Eind 2024 verscheen De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle. Frank Bokern beschrijft daarin niet alleen de ‘eerste hippies’ van omstreeks 1900, maar onderzoekt ook de sporen die deze hippiebeweging heeft nagelaten. In zijn boek geeft hij aan dat de hippierevolutie niet begonnen is in de sixties, maar al in het fin de siècle.
Tussen 1900 en 1914 wemelt het in Europa van de alternatievelingen: ze trekken van stad naar stad, leven in zelfgecreëerde hippieparadijsjes, prediken de vrije seks, halen hun spirituele inzichten uit India en Tibet en experimenteren met psychedelische middelen. Het ‘magies sentrum’ van de eerste hippies, Monte Verità, bevond zich in Zwitserland. Deze Berg der Waarheid, een ongeveer 300 meter hoge heuvel in Ascona aan het Lago Maggiore, wordt eind negentiende eeuw al snel een kolonie voor de alternatieve scene. Alles draait er om natuurlijk leven, gezond eten, feminisme, pacifisme, maatschappijhervorming.
De eerste hippies begint dus met een historische zoektocht naar de alternatieve voorhoede, die lastig te traceren is en al even moeilijk precies te categoriseren. Die voorhoede neemt voortdurend andere vormen aan. Er werd al veel eerder dan in de sixties met lang haar en op blote voeten rondgelopen, er werd al veel langer de vegetarische leefwijze gezworen. De natuur en de zon worden ook al eeuwen aanbeden tijdens zang- en dansbijeenkomsten. Dat geldt evenzeer voor het omhelzen van het gezond leven- en milieu-ideaal, inclusief zieners en zelfs messiassen. De idealisten van begin twintigste eeuw dwepen met een verlangen dat van alle tijden is. Veel aandacht schenkt Bokern in zijn boek aan Frederik van Eeden, over wie hij overigens lang niet altijd positief oordeelt. Over het Nederlandse equivalent van Monte Verità, Frederik van Eedens Walden, meldt hij dat hier vergelijkbare idealen en gedragingen de achtergrond vormen, maar Bokern omschrijft deze Gooise kolonie als bijna calvinistisch sober. Geen Lago Maggiore in de buurt natuurlijk, maar wel veel vrije liefde.
Ontwerp van Willem Bauer voor een hut op Walden, 1898In het hoofdstuk ‘Apostelen in Het Gooi’ volgt een beschrijving van het ontstaan en verloop van de kolonie Walden. Bokern meldt onder meer dat in 1900 de jonge Nescio (Frits Grönloh) nog voor Walden wordt afgewezen, want Van Eeden heeft ‘juist arbeidskrachtige menschen nodig met een gezond zenuwleven, die goed weten wat zij willen’. Bokern over Van Eeden: ‘Hij scherpt zijn visie op het leven in gesprekken met de Russische revolutionair Peter Kropotkin, de sociaal-idealist Thomas Cobden-Sanderson en de Franse anarchist Elie Reclus. De ideeën die hij bij deze denkers opdoet, vormen de bouwstenen voor het alternatief dat hij wil bieden voor het kapitalistische systeem waar de wereld in zijn ogen onder zucht.’ (p. 38). En: ‘De internationaal gewaardeerde schrijver is rond 1900 nog het best te typeren als een sociaal-anarchist. Tegelijkertijd wordt hij beheerst door een romantisch-spiritueel denken. Geheel in de geest van Tolstoj zoekt hij naar een symbiose tussen socialistische idealen en religie, zonder alle kerkelijke rituelen en instituties. […] De wereld is ziek, en hij is als arts, kunstenaar en Jezus-van-de-daad de aangewezen persoon om de mens de weg te wijzen naar een beter leven.’ (p. 38). En ook: ‘Hij wil ze voorgaan, de rijke vrouwen, de zenuwzieken, de geprangde jonge mannen, de schrijvers en dichters in spe, de mensen die in hun worsteling met de moderne tijd verstrikt zijn geraakt in een verslaving aan morfine, en zelfs de bezitloze klasse.’ (p. 39). En: ‘Vrijwel alle wereldverbeteraars van het begin van de twintigste eeuw zijn voor het vrije huwelijk en de vrije seks.’ (p. 43). Ook Van Eeden heeft een roeping gehad:
In 1898 heeft hij zijn plan in een brief voorgelegd aan Franz Oppenheimer, een Duitse arts en schrijver die als autoriteit geldt wat betreft idealistische kolonies. Oppenheimer oordeelt uiterst negatief over het plan. Hij vindt Walden slecht van opzet. De Duitser kan Van Eeden vertellen dat mensen nog nooit uit altruïsme hebben samengewerkt. Hij voegt er aan toe dat een dergelijk project al tweehonderd keer is geprobeerd, en evenzoveel keren is mislukt. En hij wil nog wel even kwijt dat hij er moedeloos van wordt dat iedereen telkens van voren af aan begint.’ (p. 40)
Bokern is niet gespeend van enige lust tot sensatie. Volgens de literatuuropgave heeft hij onder andere gebruik gemaakt van de tweedelige biografie van Jan Fontijn, hij maakt daar dit van:
Ook het vlees van Van Eeden blijkt zwak. Al snel na zijn huwelijk met Martha van Vloten is hij een onstuimige affaire begonnen met Betsy van Hoogstraten, een vrouw die een belangrijke financier zal worden van Walden. Als zijn vrouw en de minnares eindelijk een manier hebben gevonden om met elkaar om te gaan in de kolonie, krijgen ze opeens concurrentie van de veel jongere Truida Everts, die de schrijver zes jaar lang hartstochtelijk zal beminnen in zijn houten hut. Maar zodra Truida een scheiding heeft afgedwongen en zich zijn nieuwe echtgenote mag noemen, wordt Van Eeden tot over zijn oren verliefd op Ella Geldmacher. De Duitse is gelukkig getrouwd, maar dat weerhoudt de romantische schrijver er niet van zich te verliezen in een platonische verliefdheid waar hij jarenlang mee zal dwepen. (p. 43)
Tja… Over de naweeën van de spoorwegstaking in 1903 schrijft Bokern:
Een inderhaast opgericht Comité van Verweer bereidt een nieuwe staking voor. Frederik van Eeden sluit zich aan. Opeens heeft de imitatio christi een nieuwe missie: bij onrecht dient er gestreden te worden! De schrijver wordt stakingsleider in Amersfoort. Dagen achter elkaar gaat hij ‘zijn’ stakers voor als ze in optocht door de stad trekken. Hij zal het later met veel pathos boekstaven als ‘een grootsche ervaring, heerlijk en smartelijk’. Van Eeden is euforisch. Jarenlang is hij verguisd en bespot door de socialisten. De SDAP en de vakbonden willen het lot van de arbeider verbeteren door het systeem te veranderen, een kolonie als Walden zien ze als een vlucht uit de werkelijkheid. Nu is de schrijver opeens toegelaten tot de rode familie, en meteen tot de hoogste rangen: hij trekt samen op met socialistenvoorman Willem Vliegen, vakbondspaus Henri Polak en opperanarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. (p. 50)
In de ogen van Bokern kan Van Eeden niet veel goed doen. ‘In januari 1904 bezoekt hij [FvE] hippiekolonie Monte Verità. […] Zijn kritiek in zijn eigen weekkrant De Pionier is vernietigend. De kolonisten in Ascona gaan net zo gekleed als de Blaricumse christenanarchisten. Dat werkt “hoogst gevaarlijk” op “het zedelijk evenwicht”, vindt hij, en het verdient “terechte bespotting”.’ (p. 54). Van Eeden: ‘Rond te loopen met haren van eene halve meter lang, en bloote voeten, zooals sommige inwoners van Monte-Verita, is een buitensporigheid, waarop de terugslag niet kan uitblijven.’ (p. 54). Bokern: ‘Dan Nico van Suchtelen. Hij vindt op Monte Verità juist de woorden om zijn smartelijk zoeken te verwerken tot een roman.’ Dat wordt Quia absurdum.
Etiket voor honing van WaldenIn 1909 publiceert Van Eeden De idealisten, het derde toneelstuk over verloren geraakte kolonisten. Het vernietigende verslag dat hij in De Pionier heeft gepubliceerd over zijn ervaringen met Monte Verità diende als uitgangspunt. Frank Bokern beschrijft uitgebreid dat er van het optimistische wereldbeeld van voorheen (De blijde wereld, 1903) niets meer over is. Bokern citeert Van Eeden: ‘Een mensch zonder zelfzucht is een even weerzinwekkend monster als een mensch zonder naastenliefde. De eerste eisch van ons menschelijk leven is dat wij ons handhaven.’ (p. 96). Waarna Bokern beschrijft dat Frederik van Eeden in 1909 naar de VS reist en hij ‘verkeert daar uitsluitend nog in de kringen van de elite’. Al in 1909 opent de Cooperative Company of America, oftewel de Van Eeden Colony.
Frappant is dat nog in 1939 de kolonie nieuw leven wordt ingeblazen: de ondernemer MacRae koopt de grond en de gebouwen terug en brengt er Joodse gezinnen onder die zijn gevlucht voor de nazi’s. En zo is uiteindelijk één kolonie van Frederik van Eeden toch nog een beetje geslaagd…
Bakkers en broodbezorgers van de bakkerij van Walden, ca. 1905Tot slot schenkt Frank Bokern dan ook nog enige aandacht aan Forte Kreis en aan Van Eedens Lichtstad-project. Maar in vergelijking met de soms gloedvolle beschrijvingen die hij geeft van andere (Nederlandse) ‘wereldverbeteraars’ komt Van Eeden er bij hem maar bekaaid vanaf. Ook in een zin als de nu volgende lees ik toch heel wat ironie: ‘Ook de Bussumse goeroe Frederik van Eeden dweepte met Blavatsky, hij heeft zelfs ooit in een diepgaand gesprek ideeën met haar uitgewisseld. De verheven levensvisie die daaruit is voortgekomen heeft hem ertoe gebracht zichzelf te zien als een imitatio christi.’ (p. 254).
Frank Bokern, De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle, Amsterdam: Uitgeverij Van Oorschot, 2024.