
Frederik Willem van Eeden werd geboren in 1860 als zoon van een Haarlemse plantkundige. In 1886 huwde hij met Martha van Vloten, met wie hij twee zoons kreeg. Hij zou door dit huwelijk de zwager worden van de schrijver Albert Verwey en van de kunstenaar Willem Witsen, die met zusjes van Martha trouwden. Na van Martha te zijn gescheiden hertrouwde Van Eeden in 1907 met Geertruida Everts; ook zij kregen twee zoons. Van Eeden overleed in 1932 te Bussum.
Achter deze bevolkingsregistergegevens voltrok zich het bewogen leven van ‘een wonderlijke kerel’, zoals Van Eeden in de beginregel van Nescio’s De Uitvreter genoemd wordt. ‘En dat is nog zacht uitgedrukt’, voegt Jan Fontijn daar in zijn Van Eeden-biografie aan toe. Zou Frederik van Eeden nu geleefd hebben, dan kwamen we hem vast veelvuldig tegen in actualiteitenrubrieken en op opiniepagina’s en weblogs. Ook in zijn eigen tijd was hij een Bekende Nederlander, die graag publiekelijk zijn mening gaf en dan zowel bijval als hoon oogstte.
De schrijver, psychiater en wereldverbeteraar Frederik van Eeden was een multitalent en koppelde leiderschapsambities aan maatschappelijke idealen en een sterke hang naar spirituele zingeving. Hij was een charismatische maar ook complexe persoonlijkheid, met messiaanse trekken. Door zijn hooggestemde idealen schemert vaak een overgroot ego heen, en zijn kritische en analytische geest wordt soms overschaduwd door getroebleerde denkbeelden.
Het leven, het werk en de persoonlijkheid van Frederik van Eeden hebben hun weerslag gevonden in zijn publicaties en in studies als Fontijns biografie, maar zijn het meest tastbaar in de collectie van het Frederik van Eeden-Genootschap, die beheerd wordt door het Allard Pierson, de erfgoedinstelling van de Universiteit van Amsterdam.
De schrijver

Tijdens zijn studie medicijnen begon Frederik van Eeden zich te manifesteren als literator. Hij was voorzitter van de letterkundige vereniging Flanor en was een van de oprichters van De Nieuwe Gids, het tijdschrift van de Beweging van Tachtig. Het eerste nummer verscheen in 1885 en opende met een bijdrage van Van Eeden: een fragment uit De kleine Johannes, dat twee jaar later in boekvorm verscheen. De kleine Johannes, een wijsgerig sprookje in proza, had grote invloed op een jonge generatie en werd in vele talen vertaald. Later prozawerk van Van Eeden, zoals Johannes Viator (1892) en de beide vervolgdelen op De kleine Johannes (1905 en 1906), hebben eenzelfde bespiegelende inslag. Nauwelijks minder populair dan De kleine Johannes werd de psychologische roman Van de koele meren des doods (1900), die in 1982 verfilmd werd door Nouchka van Brakel. Andere romans die Van Eeden schreef, zijn De nachtbruid (1909) en Sirius en Siderius I en II (1912 en 1914).
De Beweging van Tachtig was vóór alles gericht op poëzie. Een ware dichter was voor de Tachtigers een profeet, die het vermogen had om in en door poëtisch geladen taal te raken aan de ultieme schoonheid en het goddelijke. Van Eeden debuteerde als dichter met de bundel Ellen, een lied van de smart (1891). Later volgden drie bundels Het lied van schijn en wezen (1895, 1910 en 1922) en Van de passielooze lelie (1901). Een classic uit die bundel is het gedicht
De waterlelie
Ik heb de witte waterlelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer…
Van Eedens literaire aspiraties reikten echter verder dan het schoonheidsideaal van bijvoorbeeld zijn vriend en medestander Willem Kloos. Zijn literaire werk heeft altijd een sterk filosofische of esoterische inslag en getuigt vaak van maatschappelijke betrokkenheid. Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit De broeders (1894), waarin Van Eeden het dogmatische christendom aanklaagde. Naast een leesdrama als De broeders schreef Van Eeden toneelstukken die daadwerkelijk opgevoerd zijn, zoals Lioba (1897), IJsbrand (1908) en De heks van Haarlem (1915).
Lioba, waarin de schrijver een ongelukkige liefdesgeschiedenis van zichzelf verwerkte, weerspiegelt Van Eedens behoefte om al schrijvend te reflecteren op het eigen ik. Die behoefte spreekt wel heel sterk uit verschillende niet-literaire geschriften: de Engelstalige autobiografie Happy humanity (1912), de meerdelige bloemlezing uit zijn dagboeken (1931-1934) en A study of dreams (1913), waarin hij zijn eigen dromen analyseerde.
De wereldverbeteraar

Aanvankelijk gaf Frederik van Eeden uiting aan zijn maatschappelijke betrokkenheid in het vak waarin hij opgeleid was, de medicijnen. Hij promoveerde met een proefschrift over kunstmatige voeding ter bestrijding van volksziekte nummer één, de tuberculoze. Daarnaast specialiseerde hij zich in de psychiatrie. In 1887 opende hij, samen met A.W. van Rentherghem, een psychiatrische kliniek in Amsterdam. In de behandeling van zijn patiënten paste Van Eeden nieuwe methoden toe, zoals psychotherapie en hypnotische suggestie. Van Eeden beëindigde zijn psychiatrische praktijk echter in 1893. Een crisisjaar: ook met De Nieuwe Gids kwam het toen tot een breuk.
Zoekend naar nieuwe zingeving verdiepte Van Eeden zich vervolgens in filosofische en maatschappelijke vraagstukken. Zijn denkbeelden ontwikkelden zich in een antikapitalistische richting, al zou hij zich nooit aansluiten bij de socialisten: hij geloofde meer in geleidelijke verandering dan in revolutie en stelde spirituele waarden boven marxistisch materialisme. In navolging van de Amerikaan Thoreau, wiens boek Walden grote invloed had, stichtte Van Eeden met enkele geestverwanten in 1898 een kolonie in de buurt van Bussum. De bewoners van Walden, zoals de kolonie heette, probeerden sober te leven en met gemeenschappelijke productiemiddelen een nieuw economisch model tot stand te brengen. Vanaf 1903 leverden zij hun producten aan de verbruikscoöperatie De Eendracht, door Van Eeden opgericht om de arbeiders te steunen die vanwege deelname aan de spoorwegstaking hun baan verloren hadden.
Walden vond navolging, wat in 1901 leidde tot de oprichting van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit, een overkoepelend orgaan van coöperatieve productiegemeenschappen. Van Eeden spande zich erg in om deze vereniging tot een succes te maken, door lezingen te geven en artikelen en brochures te schrijven. Ook deed hij moeite om soortgelijke gemeenschappen van de grond te krijgen in Amerika, en met enig succes: in North Carolina ontstond de Van Eeden Company. Walden zelf had te kampen met financieel wanbeheer en interne conflicten. In 1907 kwam aan het experiment een einde.
Hoewel Van Eeden veel (vooral jongere) aanhangers had, viel hem in het nuchtere Nederland ook spot ten deel. Meer weerklank vond hij in het buitenland, waardoor hij een internationaal netwerk kon opbouwen. In 1914 nam hij het initiatief tot de oprichting van de Forte-Kreis, een verbond van ‘koninklijken van geest’ ter bevordering van de wereldvrede. Tot de mensen die Van Eeden voor de Forte-Kreis wist te interesseren, behoorden de schrijvers Erich Gutkind, Romain Rolland en Upton Sinclair, de psychotherapeut Poul Bjerre, de filosoof-theoloog Martin Buber en de politicus Walther Rathenau. De Eerste Wereldoorlog leidde echter tot onderlinge controverses en veel concreets heeft de Forte-Kreis niet tot stand gebracht. De activist Van Eeden raakte moegestreden. Meer en meer ging hij zich toeleggen op spirituele zaken.
De filosoof en spiritist

Van jongs af aan had Van Eeden een grote belangstelling voor filosofie en spiritualiteit. Zijn studie Redekunstige grondslag van verstandhouding (1897) geldt als het eerste Nederlandse geschrift op het terrein van de significa, een leer over de relatie tussen taal en menselijke verstandhoudingen. Hij was betrokken bij de oprichting van het Internationaal Instituut voor Wijsbegeerte en van het Signifisch Genootschap, en stond in contact met signifische denkers als Jac. van Ginneken, Jacob Israël de Haan en Gerrit Mannoury. Daarnaast had Van Eeden een grote belangstelling voor Indiase filosofie; zo vertaalde hij veel werk van de Indiase mysticus, dichter en Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore.
Gaandeweg gaf Van Eeden het bovennatuurlijke een steeds belangrijker plaats in zijn leven. Zijn fascinatie voor de diepere betekenis van dromen verbreedde zich onder invloed van de theosofie gaandeweg naar parapsychologie en spiritisme. De dood van zijn zoon Paul, in 1913 overleden aan tuberculose, had daarop grote invloed. In séances onder leiding van het medium Annie Bos meende Van Eeden van Paul en andere overledenen boodschappen door te krijgen. De verslagen van deze séances laten zien hoe Van Eedens kritische vermogens hem in de steek lieten, wellicht een voorbode van de geestelijke onttakeling in zijn late jaren.
De oudere Frederik van Eeden voelde zich steeds meer aangetrokken tot de spiritualiteit van de rooms-katholieke kerk. Het derde boek van Het lied van schijn en wezen (1922) mondde uit in Van Eedens bekering tot het katholicisme. In 1922 liet hij zich dopen in de St. Paulusabdij te Oosterhout. In het als brochure uitgegeven lied Eucharistie (1924), met een frontispice door Jan Toorop, gaf Van Eeden uitdrukking aan zijn nieuwe levensovertuiging. In 1932 overleed hij, voorzien van het laatste sacrament.
In veel van zijn denkbeelden, onder meer gepubliceerd in de zesdelige reeks Studies, betoont Van Eeden zich onvermijdelijk een kind van zijn tijd. Niettemin bleken zijn denkbeelden over harmonie met de natuur, esoterie en mystiek ook voor latere generaties actualiteitswaarde te hebben. Zo heeft Van Eeden bij leven én postuum gelijkgestemden gevonden die in hem de leidsman zagen die hij zo graag wilde zijn.
Literatuur
- L.J.M. Feber, Frederik van Eeden’s ontwikkelingsgang,
’s-Hertogenbosch 1922. - H. Padberg, Frederik van Eeden, Roermond 1925.
- G. Kalff, Jr., Frederik van Eeden. Psychologie van den Tachtiger, Groningen 1927.
- Liber amicorum Dr Frederik van Eeden. Aangeboden ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag 3 april 1930, Amsterdam 1930.
- Frederik van Eeden, Mijn dagboek, 9 delen, Amsterdam [1931-1946].
- H.W. van Tricht, Frederik van Eeden. Denker en strijder, Amsterdam 1934. Herdruk: Utrecht 1978.
- Albert Verwey, Frederik van Eeden, Santpoort 1939.
- Frederik van Eeden, Dagboek 1878-1923. Voor het Frederik van Eeden-Genootschap uitgegeven en toegelicht door H.W. van Tricht, 4 delen, Culemborg 1971-1973.
- J.A. dèr Mouw, Brieven aan Frederik van Eeden. Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door H.G.M. Prick, ’s-Gravenhage 1971.
- ‘Walden 1898-1907’, in: J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914, Amsterdam 1978.
- Frederik van Eeden, Dromenboek. Naar de handschriften uitgegeven en ingeleid door Dick Schlüter, Amsterdam 1979.
- Walden in droom en daad. Walden-dagboek en notulen van Frederik van Eeden e.a. 1898-1903. Uitgegeven met inleiding en commentaar door J.S. de Ley en B. Luger, Amsterdam 1980.
- De briefwisseling tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel. In opdracht van het Frederik van Eeden-Genootschap verzorgd en toegelicht door H.W. van Tricht en H.G.M. Prick, Zwolle 1964. Tweede herziene druk: ’s-Gravenhage 1981.
- H.W. van Tricht (red.), Onzeekerheid is Leeven. Beschouwingen over Frederik van Eeden, Leiden 1983.
- Jan Fontijn, Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901, Amsterdam 1990.
- Jan Fontijn, Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, Amsterdam 1996.
- M.L. Mooijweer, De Amerikaanse droom van Frederik van Eeden, Amsterdam 1996.
- Cornelie van Uuden & Pieter Stokvis, De gezusters van Vloten. De vrouwen achter Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey, Amsterdam 2007.
- Mededelingen van het Frederik van Eeden-Genootschap 1 (1935) – 62 (2018).
Klaas van der Hoek
![]()