Jan Brokken beschrijft in zijn in 2024 verschenen boek De ontdekking van Holland de geschiedenis van het Volendamse Hotel Spaander. Ook Frederik van Eeden was er meermalen te gast.
De gastvrijheid van uitbaters Leendert en Aaltje Spaander, de levendige avonden en de ateliers op de begane grond bleken vanaf 1881 een magneet voor grote aantallen kunstenaars. Uit de hele wereld kwamen ze naar Volendam: ruim 1400 schilders, onder wie zo’n 200 vrouwen. Wat ze aan de Zuiderzee ontdekten, waren de typisch Hollandse luchten en het destijds al beroemde Hollandse licht, maar ook verdraagzaamheid en openheid. Ook Frederik van Eeden bezocht Volendam met enige regelmaat, zoals blijkt uit onderstaande fragmenten uit De ontdekking van Holland. Niet altijd komt hij er bij Brokken gunstig van af:
Sluiter [de schilder Willy Sluiter, RJ] was een van de eersten die Hille Butter portretteerden, een Volendamse demimondaine die met een varensgast was getrouwd en tijdens de maanden dat haar man buitengaats was de bloemetjes buitenzette. Voor haar kwam de schrijver Frederik van Eeden, de sensuele estheet die er sowieso al twee vrouwen op na hield, speciaal naar Volendam. (p. 133)
Of:
Frederik van Eeden had een hekel aan ze [aan Leendert en Aaltje Spaander, de waard en de gastvrouw, RJ]. Zoals hij ook een hekel aan beeldende kunstenaars had, en aan Amerikanen die met hun dollars alles menen te kunnen kopen, en aan de heer en mevrouw Spaander die met hun zeven dochters zowel kunstenaars als Amerikanen naar hun hotel wisten te lokken en daar een bom duiten aan overhielden. In de beschrijving van Frederik van Eeden is Spaander een soort plezierhuis voor kunstenaars. Maar zo zagen de Volendammers dat niet. (p. 135)
En nog meer over Hille Butter…
Frederik van Eeden raakte niet over haar uitgepraat. ‘Zaterdag gingen wij naar Volendam over Marken. En ik bezocht mijn vriendinnen daar Hille Baap en Hille Butter. Het slaagde alles heerlijk. Het is verbazend zoals dat plaatsje mij boeit, met het Hollandsche oer-ras, dat er nog in krachtigen bloei verkeert.’ Van Eeden schreef dat in 1915 in zijn dagboek, toen kon oer-ras misschien nog. Hij koesterde een levenslange fascinatie voor jonge vrouwen van eenvoudige komaf die het vertikten om zich in het strikt burgerlijke keurslijf te laten rijgen. Ze waren stof voor zijn romans en hij wilde ze op het goede pad brengen of op het goede pad houden – vandaar dat hij zo het ‘gezonde’ in Hille Butter benadrukte. Toen hij in Parijs een verhouding kreeg met een aan morfine verslaafde prostituee, was dat omdat ze ‘goede ogen’ had. Van Eeden zag zichzelf in de eerste plaats als arts en psychiater wiens taak het was levens te redden. Hij voelde zich weliswaar ‘als man’ tot haar aangetrokken, maar ging ieder lijfelijk contact uit de weg: hij wilde haar uit de goot halen en niet misbruiken. Geheel onbaatzuchtig was dat trouwens niet, tot aan haar naam toe ze heette Jeanne Fontaine – gebruikte hij haar als model voor Hedwig Marga de Fontayne, de hoofdpersoon van Van de koele meren des doods. Bij Hille Butter was hij aan het verkeerde adres: ze vond het leven dat ze leidde eerder razend interessant dan verwerpelijk en hoefde niet gered te worden. (p. 159)
Bij Van Eeden speelde als voornaamste rol dat hij telkens weer bewijzen wilde dat hij zijn hartstochten ondergeschikt kon maken aan zijn wil. Hij voelde zich duidelijk aangetrokken tot Hille, sterk aangetrokken zelfs, Hille was tijdens die tweede ontmoeting in 1915 vierentwintig jaar en geen man ging aan haar voorbij zonder het hoofd om te draaien. Van Eeden zal zich met zijn vijfenvijftig jaar gelukkig hebben geprezen dat zij hem nog wilde ontvangen. Maar zijn lonken zal zich beperkt hebben tot langdurige, vermakelijke en openhartige conversatie. Hille nam geen blad voor de mond, wat Van Eeden behaaglijk gevonden zal hebben, bijna zoiets als een streling, een streling voor het oor. Een reputatie zei haar niets, het ging haar erom wat iemand te berde bracht, en daar reageerde ze serieus op, in alle eerlijkheid. Van Eeden kon uren met haar praten. Op Hotel Spaander keek hij neer alsof het een bordeel was: alles draaide daar om ‘geld en flirtation’, hij vond het ‘minderwaardig ver beneden de gezonde sfeer van de dorpelingen’. (p. 160)
Uit Van Eedens dagboek citeert Brokken:
En prachtig waren de huisjes en buurtjes, hel-kleurig, blauw en groen – met de groen-bekroosde sloten en vaarten er tussendoor en de blauwe ophaalbruggetjes. En overal de aardige kindertjes met hun klompjes en mutsjes. Nu begrijp ik de bewondering der Amerikanen voor dat oord. Het is werkelijk een echt stuk Hollands oerleven. En alles slentert daar en babbelt, neerhurkend aan den dijk of voor de huisjes. Er wordt vis aangebracht en geveild. Ertussendoor dwalen de vreemden, artiesten en sportslui, door de inboorlingen getolereerd zonder eerbied en ook zonder minachting, een zonderlinge mengeling. (p. 162)
En Brokken constateert vervolgens: ‘Ik moet het Van Eeden nageven: dit dorp maakt veel bij je los.’
Jan Brokken, De ontdekking van Holland, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2024.
Roel Jonker
![]()
