Onveranderlijk zichzelf

In december 2025 verscheen de biografie over schrijver Arthur van Schendel (1874–1946), Onveranderlijk zichzelf. Biograaf Rob Groenewegen signaleert zelf in zijn nawoord dat zijn opdracht een lastige is: ‘Maar hoe iemand op papier tot leven te brengen die weinig tot niets over zichzelf prijsgaf?’ (p. 263). Toch staat in deze biografie vooral het leven van Arthur van Schendel centraal en niet zijn oeuvre.

Over Een zwerver verliefd (1904), Het fregatschip Johanna Maria (1930), De Waterman (1933), Een Hollandsch drama (1935), boeken die onder scholieren mateloos populair waren in tijden dat het fenomeen ‘leeslijst’ nog van belang was, krijgen we maar weinig informatie. Wel schetst Groene­wegen hoe Van Schendel deel uitmaakt van de literatuur en de maatschappij van het interbellum. Hij ontmoet tijdgenoten als Willem Witsen, Willem Kloos, Frederik van Eeden en Jan Toorop. Ook met latere literatoren als Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Eddy du Perron had Van Schendel contact.

Het enorme oeuvre van Van Schendel kwam tot stand omdat iedere dag gewerkt moest worden, zelfs op het strand van het Italiaanse Sestri Levante waar hij lang woonde. Collega’s vertellen dat hij zich vaak terugtrok uit een gezelschap, de schuifdeuren sloot en zijn potlood pakte. De biograaf schrijft zelfs dat Van Schendels werkkracht ten koste lijkt te zijn gegaan van zijn gezondheid in zijn laatste jaren. Als hij een onderscheiding of prijs kreeg, vond hij dat ongemakkelijk en kwam liever niet.

Zijn persoonlijke leven was rijk aan drama’s, waarbij het overhaaste huwelijk met de rijke Bertha Zimmerman, die een onwettig kind had van een getrouw­de man en vlak na de bevalling in het geheim met Van Schendel trouwde, voor Van Eeden-volgers interessant is. We komen daar hieronder op terug.

Naast een negatieve recensie van Owen Donkers op het literaire weblog Tzum, die vooral het taalgebruik en de zinsconstructies van Groenewegen veroor­deelt, heeft ook Petra Teunissen-Nijsse op Biografieportaal niet veel lof voor de biografie:

Tja, wat blijft er over als je een biografie schrijft over een auteur en niet het werk wil analyseren en ook geen psychologische duiding van het leven wil geven? Een kroniek, een verzameling anekdotes en veel vragen. Die vragen stelt Groenewegen gelukkig zelf, bijvoorbeeld over Van Schendels afschuwelijke jeugdjaren. Waar kwam de verafgoding van Kloos vandaan? Had Van Schendel voor zichzelf geen extra verant­woor­ding nodig om in het fascistische Italië te wonen? Zou Van Schendel zijn verleden niet kunnen hebben aangepast aan latere persoonlijke opvattingen. De biograaf stelt zelfs tientallen uitstekende vragen zoals bovenstaande, maar helaas zijn de antwoorden schaars: “een punt als dit komt nergens ter sprake in Van Schendels – bewaard gebleven – brieven.” […] Helaas, deze biograaf liet mij verdwaald achter in het leven van Van Schendel.

Van Schendel trouwde met zijn eerste vrouw Bertha Zimmer­man, en daar in de biografie is de link met Frederik van Eeden. Eerst al heeft Groenewegen gemeld dat voor een beoordeling van een eventuele bevordering in 1891 naar de tweede klas van de Tooneelschool in Amsterdam Arthur van Schendel een van zijn eigen verzen voordroeg, opgedragen aan Frederik van Eeden (p. 47). Het begint als volgt:

Fel flonkerend stralend-goud in purperwaas,
Van wraakzucht gloeiend daalt de avondzon
In ’t bloedig Westen neer gevolgd door tergend
Spotgekrijsch van gieren strijkend op de
Malsche verschgevelde menschenlijken
En schaterlachend om den broedermoord;
[…]

Dan is er nog zeker sprake van bewondering voor de oudere schrijver. En in september 1891 stuurt Van Schendel, nog steeds pas zeventien jaar, tot twee keer toe een brief aan Frederik van Eeden met het verzoek enkele van zijn gedichten in De Nieuwe Gids te plaatsen. Beide brieven blijven onbeantwoord.

Later hebben beide schrijvers elkaar alsnog ontmoet. Van Eeden schrijft op 17 november 1896 in zijn dagboek: ‘Thuis vond ik van Schendel , daarmee den ganschen avond gepraat.’ Vermoedelijk is het verschijnen van de roman Drogon (1896) hier de aanleiding toe geweest. En in een brief schrijft Van Schendel Frederik van Eeden (6 februari 1897): ‘Toen ik drie dagen in Enge­land was wilde ik u al dadelijk schrijven, en wel over het eten hier, speciaal met betrekking tot de bijzondere spijzen die ik bij u genoten heb. Maar dat zou ongepast geweest zijn.’

Maar dan Bertha Zimmerman (1870), jongste dochter in een deftig gezin van zes kinderen. Vermoedelijk ontmoette Van Schendel al in 1901 in de lompen­molen aan de Tolstraat in Amsterdam de hoogzwangere Bertha Zimmerman. In juni 1901 werd haar dochter Hubertina geboren. Vader was de getrouwde Willem van Meurs, die we in het ook door Groenewegen geraadpleegde Walden-dagboek voor het eerst vermeld zien in februari 1898: ‘Van Oordt in ’t complot, later Van Meurs en Steenhoff.’ (Walden in droom en daad. Walden-dagboek en notulen van Frederik van Eeden e.a., 1898–1903, ed. J.S. De Ley en B. Luger, Amsterdam 1980, p. 64).

Toen Bertha vier jaar oud was, overleed haar moeder, haar vader viel ten prooi aan zwaarmoedigheid. Naar het schijnt is Bertha bij Van Eeden in therapie geweest. Ze schrijft hem althans op 11 juli 1899 een brief, waarin ze gewag maakt van het feit dat er onder haar leiding iets goed mis is gegaan in haar fröbelschool of in het weeshuis die onder haar leiding stonden. De brief is te lezen als een afscheid van Walden.

Maar eerder, in april 1898, weet Van Eeden Bertha ervan te overreden een bedrag van dertigduizend gulden beschikbaar te stellen om ‘voor haar’ villa Cruysbergen te kopen. Groenewegen: ‘In de eerste week van juli vond de overdracht plaats, en had de dwingeland zijn zin gekregen.’ (p. 84). In een noot voegt Groenewegen eraan toe: ‘Naar verluidt zou later onder de bewoners van Walden het gerucht zijn rondgegaan dat Van Eeden haar door middel van hyp­nose zo gek had weten te krijgen.’ (p. 279). Woordkeus en speculatie laten we maar even voor verantwoording van Groenewegen. In het Walden-dag­boek lezen we de nuchtere notities: ’24 April. Bertha Zimmerman gevraagd of ze Cruysbergen wou koopen.’ (Walden, p. 66) en: ’26 April. Cruysbergen gekocht voor B. Zimmerman.’ (Walden, p. 67).

In ieder geval krijgt de familie Zimmerman lucht van deze transactie en van het feit dat Bertha elke maand honderd gulden aan Van Eeden doneerde. Oudste broer Willem Zimmerman schrijft Van Eeden een woedende brief. Het conflict laait hoog op en de familie Zimmerman dreigt Bertha onder curatele te stellen. Dat Bertha van haar familie niet op Walden mag wonen noteert Van Eeden als volgt in het Walden-dagboek: ‘1 Sept. Bertha Zimmerman wil niet op Cruysbergen komen. Ik zie van Cruysbergen af.’ (Walden, p. 72).

In juli 1899 komt Betsy van Hoogstraaten Van Eeden financieel te hulp en betaalt aan Bertha de helft van die dertigduizend gulden terug. Voor de andere helft (dus vijftienduizend gulden, het equivalent van het huidige bedrag van een half miljoen euro) gaat Van Eeden een renteloze hypotheek bij Bertha aan op voorwaarde dat die uiterlijk 1 mei 1905 zou zijn afgelost. Van Eeden: ‘28 Juni. Bertha Zimmerman geeft volmacht aan haar broer, die dreigt Cruys­bergen te verkoopen. Ik bied aan Cruysbergen te koopen op crediet. Het maaien begint.’ (Walden, p. 84) en: ‘1 Juli. Regen, er liggen nog vier wagens hooi te veld. Labberton weer hier. Beslissing dat ik met mevr. Van Hoogstraten Cruysbergen zal koopen, voor 30.000, mijn helft bestaande uit een rentelooze hypotheek tot 1905. Dit ’s avonds meegedeeld aan de Zaterdagavond krans, en hen toegesproken om tot hard werk en soberheid te manen.’ (Walden, p. 85).

In januari 1901 laat de zwangere Bertha een testament opmaken waarin ze verklaart dat bij haar dood alle schulden die Van Eeden aan haar heeft, worden kwijtgescholden. Van Eeden stelt ze daarvan op de hoogte. In april laat ze een nieuw testament opstellen waarin haar kind (of kinderen) tot enige erfgenaam wordt benoemd. Van deze wijziging wordt Van Eeden niet op de hoogte gesteld.

In 1902 reizen Arthur van Schendel, Bertha en dochter Hubertina naar Engeland, waar ze in augustus in Londen in alle stilte trouwen. Gelijk daarop erkent Van Schendel Hubertina (‘Bartje’) formeel. En dus is Arthur van Schendel nu partij geworden in het conflict tussen de familie Zimmerman en Frederik van Eeden. Want alles wat op de grond van Walden stond zou gemeen­schappe­lijk bezit moeten worden en dus heeft Van Eeden, uitgaande van het eerste testament van Bertha, haar gevraagd de hypotheek teniet te doen, niet ten gunste van hem, maar ten gunste van de vereniging. Van Schendel, als echtgenoot van Bertha verantwoordelijk voor het beheer over haar vermogen en handelen, deelt mee dat van het schrappen van de hypotheek geen sprake kan zijn.

In de zomer van 1903 zet Van Eeden de volgende stap: hij laat een notaris melden dat hij een lap grond van Cruysbergen wil verkopen en dat de hypotheek er dus af moet. En: ‘Ook verzocht van Eeden mij u te vragen of u de geheele hypothecaire vordering aan hem wilde afstaan voor een matige vergoeding. Hij verklaart dat Mevrouw hem in der tijd heeft beloofd de geheele hypothecaire vordering te schenken, maar zoo noodig is hij bereid daarvoor iets te betalen.’ Aldus notaris K.J. Perk op 8 augustus 1903 aan Bertha Zimmerman en Arthur van Schendel (p. 88). Vervolgens wil Van Eeden de schuld afkopen met een bedrag van tienduizend gulden. De Van Schendels weigeren wederom, waarop Van Eeden een woedende brief schrijft; hij weigert de hypothecaire schuld te erkennen, uit brieven van ‘mej. Zimmerman, thans Mevrouw van Schendel’ blijkt dat het altijd als een schenking is bedoeld. Voor Van Schendel en Bertha is dan de maat vol en Van Schendel schrijft vervolgens een gedetailleerde brief naar twee advocaat-procureurs, gedateerd 30 decem­ber 1903 (p. 89–92).

Het antwoord stelt hen geheel gerust, de hypothecaire vordering is waterdicht. Toch doet Van Eeden nog een laatste poging een paar dagen voor het aflopen van de hypotheek. Op 23 april 1905 schrijft hij de dan al zieke Bertha: ‘Nu vraag ik je voor het laatst, zul je je geweten bezwaren met een laaghartige woordbreuk, waarvan niet ik de dupe zal zijn, maar alleen de arme, hardwer­kende arbeiders?’ Het is onduidelijk hoe Van Eeden er in geslaagd is enkele dagen later de hypotheek toch te kunnen inlossen. In zijn persoonlijke dagboek schrijft hij, 30 april 1905: ‘Geloopen om het geld te krijgen voor de hypotheek. Bitter verontwaardigd over de laffe, laaghartige menschen.’

Roel Jonker

Rob Groenewegen, Onveranderlijk zichzelf. Het leven van Arthur van Schen­del (1874–1946), Zutphen: Walburg Pers, 2025.

Loading

Een korte flirt…

Willem Pijper, geboren in 1894, was ontegenzeggelijk een dubbeltalent. Componist en letterkundige, auteur van vileine en virtuoos geschreven muziekrecensies in het Utrechts Dagblad. En volgens de schrijver Hendrik Marsman, dorps- en generatiegenoot uit Zeist, zelfs ook ‘haremhouder’. Neerlandicus Arthur van Dijk beschrijft in de in 2025 uitgekomen biografie uitgebreid de persoon Pijper, zijn muzikale activiteiten komen minder uitvoerig aan de orde.

In deze biografie, Een lied dat niet sterven zal, lezen we dat Willem Pijper zich als jongeling van tweeëntwintig jaar heeft laten inspireren door Frederik van Eeden. Van Dijk schrijft dat Pijper in juni 1917 werkt aan een suite voor orkest, geïnspireerd op Van Eedens De kleine Johannes. In die maand heeft hij daar twee delen van af. In september van dat jaar blijkt dat Pijper werkt aan een Eerste Symfonie, hij licht deze compositie zelf toe in een brief van 24 september aan componist en dirigent Jan van Gilse van het Utrechtsch Stedelijk Orchest:

Ik noemde het symfonie, omdat het te groot van afmeting en conceptie geworden is voor het begrip suite. En voor het programmatische deel voel ik ten slotte weinig – ik geloof dat men – tenminste de muzikale ‘men’ – er meer aan zal hebben zónder De kleine Johannes-associaties.

Een eerste ontmoeting tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden vindt op 23 septem­ber 1917 plaats bij een wederzijdse kennis; vervolgens bezoekt Pijper op 14 oktober het echtpaar Van Eeden op Walden. Over dit bezoek schrijft Van Eeden in zijn dagboek:

Gisterenavond waren bij mij de componist Pijper met zijn verloofde, juffrouw Werker en De Winter. Hij speelde een symfonie voor die geïnspireerd was door De kleine Johannes. Het laatste gedeelte is De Dood van Pan. Hij is zeer modern en zijn muziek vol dissonanten. Ook had ik soms een demonische indruk. Ook Truida voelde dat. Maar het is zeer knap werk.

Maar het is duidelijk dat wat eerst nog werd opgezet als een suite ter illustratie van het boek, is uitgegroeid tot een autonome symfonie, die mogelijk wel dezelfde associaties oproept als het werk van Van Eeden. Want als de Eerste Symfonie van Pijper op 25 april 1918 onder Willem Mengelberg in première gaat, schrijft Pijper in de programmatoelichting:

Wanneer ik de stemmingen van het werk en van de onderdelen moest gaan omschrijven, zou ik waarschijnlijk het best fragmenten uit Frederik van Eedens De kleine Johannes kunnen citeren. De hele symfonie is natuurbeschrijving, er is geen enkel menselijk-psychologisch conflict in het stuk en Van Eedens beschrijvingen van een feest in een konijnenhol, van een maannacht in het duin, van een kabouter- en paddenstoelen­milieu, zijn visionaire schilderingen van Vader Pans tragische dodenstoet, geven de stemmingen virtuozer en raker dan ik het zou kunnen doen. Hiermede is niet gezegd dat de symfonie een muzikale illustratie is van het bekende boek, zoals sommigen nog steeds schijnen te menen, maar wél zou ik mij kunnen voorstellen dat de lectuur ervan bij de lezer soortgelijke gevoelens wekte als het muziekstuk bij de toehoorder.

De recensies vermelden dat deze Eerste Symfonie van Pijper onmiskenbaar Mahleriaans is. Van Eeden maakt in zijn dagboek geen enkele toespeling op deze première. De naam ‘Pijper’ verschijnt trouwens niet meer op de vele latere bladzijden. Ook Arthur van Dijk doet in de biografie verder geen enkele mededeling over later contact tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden. Het is dus gebleven bij de kortstondige flirt van de jonge Pijper met het werk van Frederik van Eeden.

Roel Jonker

Arthur van Dijk, Een lied dat niet sterven zal. Het rusteloze leven van Willem Pijper (1894–1947), Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2025.

Loading

Frederik van Eeden ontdekt Volendam

Jan Brokken beschrijft in zijn in 2024 verschenen boek De ontdekking van Holland de geschiedenis van het Volendamse Hotel Spaander. Ook Frederik van Eeden was er meermalen te gast.

De gastvrijheid van uitbaters Leendert en Aaltje Spaander, de levendige avonden en de ateliers op de begane grond bleken vanaf 1881 een magneet voor grote aantallen kunstenaars. Uit de hele wereld kwamen ze naar Volendam: ruim 1400 schilders, onder wie zo’n 200 vrouwen. Wat ze aan de Zuiderzee ontdekten, waren de typisch Hollandse luchten en het destijds al beroemde Hollandse licht, maar ook verdraagzaamheid en openheid. Ook Frederik van Eeden bezocht Volendam met enige regelmaat, zoals blijkt uit onderstaande fragmenten uit De ontdekking van Holland. Niet altijd komt hij er bij Brokken gunstig van af:

Sluiter [de schilder Willy Sluiter, RJ] was een van de eersten die Hille Butter portret­teerden, een Volen­damse demimondaine die met een varensgast was getrouwd en tijdens de maanden dat haar man bui­tengaats was de bloeme­tjes buitenzette. Voor haar kwam de schrijver Frederik van Eeden, de sensuele estheet die er sowieso al twee vrouwen op na hield, speciaal naar Volendam. (p. 133)

Of:

Frederik van Eeden had een hekel aan ze [aan Leendert en Aaltje Spaander, de waard en de gastvrouw, RJ]. Zoals hij ook een hekel aan beeldende kunstenaars had, en aan Amerikanen die met hun dollars alles menen te kunnen kopen, en aan de heer en mevrouw Spaander die met hun zeven dochters zowel kunstenaars als Amerikanen naar hun hotel wisten te lokken en daar een bom duiten aan overhielden. In de beschrijving van Frederik van Eeden is Spaander een soort plezierhuis voor kunstenaars. Maar zo zagen de Volendammers dat niet. (p. 135)

En nog meer over Hille Butter…

Frederik van Eeden raakte niet over haar uitgepraat. ‘Zaterdag gingen wij naar Volendam over Marken. En ik bezocht mijn vriendinnen daar Hille Baap en Hille Butter. Het slaagde alles heerlijk. Het is verbazend zoals dat plaatsje mij boeit, met het Hollandsche oer-ras, dat er nog in krachtigen bloei verkeert.’ Van Eeden schreef dat in 1915 in zijn dagboek, toen kon oer-ras misschien nog. Hij koesterde een levenslange fascinatie voor jonge vrouwen van eenvoudige komaf die het vertikten om zich in het strikt burgerlijke keurslijf te laten rijgen. Ze waren stof voor zijn romans en hij wilde ze op het goede pad brengen of op het goede pad houden – vandaar dat hij zo het ‘gezonde’ in Hille Butter benadrukte. Toen hij in Parijs een verhouding kreeg met een aan morfine verslaafde prostituee, was dat omdat ze ‘goede ogen’ had. Van Eeden zag zichzelf in de eerste plaats als arts en psychiater wiens taak het was levens te redden. Hij voelde zich weliswaar ‘als man’ tot haar aangetrokken, maar ging ieder lijfelijk contact uit de weg: hij wilde haar uit de goot halen en niet misbruiken. Geheel onbaatzuchtig was dat trouwens niet, tot aan haar naam toe ze heette Jeanne Fontaine – gebruikte hij haar als model voor Hedwig Marga de Fontayne, de hoofdpersoon van Van de koele meren des doods. Bij Hille Butter was hij aan het verkeerde adres: ze vond het leven dat ze leidde eerder razend interessant dan verwerpelijk en hoefde niet gered te worden. (p. 159)

Bij Van Eeden speelde als voornaamste rol dat hij telkens weer bewijzen wilde dat hij zijn hartstochten ondergeschikt kon maken aan zijn wil. Hij voelde zich duidelijk aangetrokken tot Hille, sterk aangetrokken zelfs, Hille was tijdens die tweede ontmoeting in 1915 vierentwintig jaar en geen man ging aan haar voorbij zonder het hoofd om te draaien. Van Eeden zal zich met zijn vijfenvijftig jaar gelukkig hebben geprezen dat zij hem nog wilde ontvangen. Maar zijn lonken zal zich beperkt hebben tot langdurige, vermakelijke en openhartige conversatie. Hille nam geen blad voor de mond, wat Van Eeden behaaglijk gevonden zal hebben, bijna zoiets als een streling, een streling voor het oor. Een reputatie zei haar niets, het ging haar erom wat iemand te berde bracht, en daar reageerde ze serieus op, in alle eerlijkheid. Van Eeden kon uren met haar praten. Op Hotel Spaander keek hij neer alsof het een bordeel was: alles draaide daar om ‘geld en flirtation’, hij vond het ‘minderwaardig ver beneden de gezonde sfeer van de dorpelingen’. (p. 160)

Uit Van Eedens dagboek citeert Brokken:

En prachtig waren de huisjes en buurtjes, hel-kleurig, blauw en groen – met de groen-bekroosde sloten en vaarten er tussendoor en de blauwe ophaalbruggetjes. En overal de aardige kindertjes met hun klompjes en mutsjes. Nu begrijp ik de bewondering der Amerikanen voor dat oord. Het is werkelijk een echt stuk Hollands oerleven. En alles slentert daar en babbelt, neerhurkend aan den dijk of voor de huisjes. Er wordt vis aangebracht en geveild. Ertussendoor dwalen de vreemden, artiesten en sportslui, door de inboorlingen getolereerd zonder eerbied en ook zonder minachting, een zonderlinge mengeling. (p. 162)

En Brokken constateert vervolgens: ‘Ik moet het Van Eeden nageven: dit dorp maakt veel bij je los.’

Jan Brokken, De ontdekking van Holland, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2024.

Roel Jonker

Loading

Een ‘Jezus-van-de-daad’

Frederik van Eeden als hippie

Eind 2024 verscheen De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle. Frank Bokern beschrijft daarin niet alleen de ‘eerste hippies’ van omstreeks 1900, maar onderzoekt ook de sporen die deze hippiebeweging heeft nagelaten. In zijn boek geeft hij aan dat de hippierevolutie niet begonnen is in de sixties, maar al in het fin de siècle.

Tussen 1900 en 1914 wemelt het in Europa van de alternatievelingen: ze trekken van stad naar stad, leven in zelf­gecreëerde hippie­paradijsjes, prediken de vrije seks, halen hun spirituele inzichten uit India en Tibet en experimenteren met psychedelische middelen. Het ‘magies sentrum’ van de eerste hippies, Monte Verità, bevond zich in Zwitserland. Deze Berg der Waarheid, een ongeveer 300 meter hoge heuvel in Ascona aan het Lago Maggiore, wordt eind negen­tiende eeuw al snel een kolonie voor de alter­natieve scene. Alles draait er om natuurlijk leven, gezond eten, feminisme, pacifisme, maatschappijhervorming.

De eerste hippies begint dus met een historische zoektocht naar de alternatieve voorhoede, die lastig te traceren is en al even moeilijk precies te categoriseren. Die voorhoede neemt voortdurend andere vormen aan. Er werd al veel eerder dan in de sixties met lang haar en op blote voeten rondgelopen, er werd al veel langer de vegetarische leefwijze gezworen. De natuur en de zon worden ook al eeuwen aanbeden tijdens zang- en dansbijeenkomsten. Dat geldt evenzeer voor het omhelzen van het gezond leven- en milieu-ideaal, inclusief zieners en zelfs messiassen. De idealisten van begin twintigste eeuw dwepen met een verlangen dat van alle tijden is. Veel aandacht schenkt Bokern in zijn boek aan Frederik van Eeden, over wie hij overigens lang niet altijd positief oordeelt. Over het Nederlandse equivalent van Monte Verità, Frederik van Eedens Wal­den, meldt hij dat hier vergelijkbare idealen en gedragingen de achter­grond vormen, maar Bokern omschrijft deze Gooise kolonie als bijna calvinistisch sober. Geen Lago Maggiore in de buurt natuurlijk, maar wel veel vrije liefde.

Ontwerp van Willem Bauer voor een hut op Walden, 1898
In het hoofdstuk ‘Apostelen in Het Gooi’ volgt een beschrijving van het ontstaan en verloop van de kolonie Walden. Bokern meldt onder meer dat in 1900 de jonge Nescio (Frits Grönloh) nog voor Walden wordt afgewezen, want Van Eeden heeft ‘juist arbeidskrachtige menschen nodig met een gezond zenuwleven, die goed weten wat zij willen’. Bokern over Van Eeden: ‘Hij scherpt zijn visie op het leven in gesprekken met de Russische revolutionair Peter Kropotkin, de sociaal-idealist Thomas Cobden-Sanderson en de Franse anarchist Elie Reclus. De ideeën die hij bij deze denkers opdoet, vormen de bouwstenen voor het alternatief dat hij wil bieden voor het kapitalistische systeem waar de wereld in zijn ogen onder zucht.’ (p. 38). En: ‘De internationaal gewaardeerde schrijver is rond 1900 nog het best te typeren als een sociaal-anarchist. Tegelijkertijd wordt hij beheerst door een romantisch-spiritueel denken. Geheel in de geest van Tolstoj zoekt hij naar een symbiose tussen socialistische idealen en religie, zonder alle kerkelijke rituelen en instituties. […] De wereld is ziek, en hij is als arts, kunstenaar en Jezus-van-de-daad de aangewezen persoon om de mens de weg te wijzen naar een beter leven.’ (p. 38). En ook: ‘Hij wil ze voorgaan, de rijke vrouwen, de zenuwzieken, de geprangde jonge mannen, de schrijvers en dichters in spe, de mensen die in hun worsteling met de moderne tijd verstrikt zijn geraakt in een verslaving aan morfine, en zelfs de bezitloze klasse.’ (p. 39). En: ‘Vrijwel alle wereldverbeteraars van het begin van de twintigste eeuw zijn voor het vrije huwelijk en de vrije seks.’ (p. 43). Ook Van Eeden heeft een roeping gehad:

In 1898 heeft hij zijn plan in een brief voorgelegd aan Franz Oppen­heimer, een Duitse arts en schrijver die als autoriteit geldt wat betreft idealistische kolonies. Oppenheimer oordeelt uiterst negatief over het plan. Hij vindt Walden slecht van opzet. De Duitser kan Van Eeden vertellen dat mensen nog nooit uit altruïsme hebben samengewerkt. Hij voegt er aan toe dat een dergelijk project al tweehonderd keer is geprobeerd, en evenzoveel keren is mislukt. En hij wil nog wel even kwijt dat hij er moedeloos van wordt dat iedereen telkens van voren af aan begint.’ (p. 40)

Bokern is niet gespeend van enige lust tot sensatie. Volgens de literatuur­opgave heeft hij onder andere gebruik gemaakt van de tweedelige biografie van Jan Fontijn, hij maakt daar dit van:

Ook het vlees van Van Eeden blijkt zwak. Al snel na zijn huwelijk met Martha van Vloten is hij een onstuimige affaire begonnen met Betsy van Hoogstraten, een vrouw die een belangrijke financier zal worden van Walden. Als zijn vrouw en de minnares eindelijk een manier hebben gevonden om met elkaar om te gaan in de kolonie, krijgen ze opeens concurrentie van de veel jongere Truida Everts, die de schrijver zes jaar lang hartstochtelijk zal beminnen in zijn houten hut. Maar zodra Truida een scheiding heeft afgedwongen en zich zijn nieuwe echtgenote mag noemen, wordt Van Eeden tot over zijn oren verliefd op Ella Geldmacher. De Duitse is gelukkig getrouwd, maar dat weerhoudt de romantische schrijver er niet van zich te verliezen in een platonische verliefdheid waar hij jarenlang mee zal dwepen. (p. 43)

Tja… Over de naweeën van de spoorwegstaking in 1903 schrijft Bokern:

Een inderhaast opgericht Comité van Verweer bereidt een nieuwe staking voor. Frederik van Eeden sluit zich aan. Opeens heeft de imitatio christi een nieuwe missie: bij onrecht dient er gestreden te worden! De schrijver wordt stakingsleider in Amersfoort. Dagen achter elkaar gaat hij ‘zijn’ stakers voor als ze in optocht door de stad trekken. Hij zal het later met veel pathos boekstaven als ‘een grootsche ervaring, heerlijk en smartelijk’. Van Eeden is euforisch. Jarenlang is hij verguisd en bespot door de socialisten. De SDAP en de vakbonden willen het lot van de arbeider verbeteren door het systeem te veranderen, een kolonie als Walden zien ze als een vlucht uit de werkelijkheid. Nu is de schrijver opeens toegelaten tot de rode familie, en meteen tot de hoogste rangen: hij trekt samen op met socialistenvoorman Willem Vliegen, vakbonds­paus Henri Polak en opperanarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. (p. 50)

In de ogen van Bokern kan Van Eeden niet veel goed doen. ‘In januari 1904 bezoekt hij [FvE] hippiekolonie Monte Verità. […] Zijn kritiek in zijn eigen weekkrant De Pionier is vernietigend. De kolonisten in Ascona gaan net zo gekleed als de Blaricumse christenanarchisten. Dat werkt “hoogst gevaarlijk” op “het zedelijk evenwicht”, vindt hij, en het verdient “terechte bespotting”.’ (p. 54). Van Eeden: ‘Rond te loopen met haren van eene halve meter lang, en bloote voeten, zooals sommige inwoners van Monte-Verita, is een buiten­sporigheid, waarop de terugslag niet kan uitblijven.’ (p. 54). Bokern: ‘Dan Nico van Suchtelen. Hij vindt op Monte Verità juist de woorden om zijn smartelijk zoeken te verwerken tot een roman.’ Dat wordt Quia absurdum.

Etiket voor honing van Walden
In 1909 publiceert Van Eeden De idealisten, het derde toneelstuk over verloren geraak­te kolonisten. Het vernietigende verslag dat hij in De Pionier heeft gepubliceerd over zijn ervaringen met Monte Verità diende als uitgangspunt. Frank Bokern beschrijft uitgebreid dat er van het optimistische wereldbeeld van voorheen (De blijde wereld, 1903) niets meer over is. Bokern citeert Van Eeden: ‘Een mensch zonder zelfzucht is een even weerzinwekkend monster als een mensch zonder naastenliefde. De eerste eisch van ons menschelijk leven is dat wij ons handhaven.’ (p. 96). Waarna Bokern beschrijft dat Frederik van Eeden in 1909 naar de VS reist en hij ‘verkeert daar uitsluitend nog in de kringen van de elite’. Al in 1909 opent de Cooperative Company of America, oftewel de Van Eeden Colony.

Frappant is dat nog in 1939 de kolonie nieuw leven wordt ingeblazen: de ondernemer MacRae koopt de grond en de gebouwen terug en brengt er Joodse gezinnen onder die zijn gevlucht voor de nazi’s. En zo is uiteindelijk één kolonie van Frederik van Eeden toch nog een beetje geslaagd…

Bakkers en broodbezorgers van de bakkerij van Walden, ca. 1905
Tot slot schenkt Frank Bokern dan ook nog enige aandacht aan Forte Kreis en aan Van Eedens Lichtstad-project. Maar in vergelijking met de soms gloedvolle beschrijvingen die hij geeft van andere (Nederlandse) ‘wereldverbeteraars’ komt Van Eeden er bij hem maar bekaaid vanaf. Ook in een zin als de nu volgende lees ik toch heel wat ironie: ‘Ook de Bussumse goeroe Frederik van Eeden dweepte met Blavatsky, hij heeft zelfs ooit in een diepgaand gesprek ideeën met haar uitgewisseld. De verheven levensvisie die daaruit is voortgekomen heeft hem ertoe gebracht zichzelf te zien als een imitatio christi.’ (p. 254).

Frank Bokern, De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle, Amsterdam: Uitgeverij Van Oorschot, 2024.

Roel Jonker

Loading

‘Goud bestipt als een omheuveld meer’

Aandacht voor Adriaan van Oordt

In de eerste aflevering van 2025 van De Parelduiker schetst Marco Daane het leven van Adriaan van Oordt (1865–1910). Van Oordt stond in zijn tijd onder collega-schrijvers bekend als een groot talent. Hij gaf rond de eeuwwisse­ling een nieuwe impuls aan de historische roman en gold als baanbreker van de neoromantiek. Maar hij was ook betrokken bij de oprichting van Frederik van Eedens kolonie Walden in Bussum. Naast een enkele naar hem genoemde straatnaam is in Bussum nog de enige herinnering aan zijn persoon te vinden.

Adriaan van Oordt (1865–1910)
Hetcontact met Van Eeden komt tot stand als Van Oordt hem in juni 1896 benadert nadat enkele uitgeverijen zijn eerste roman Irmenlo hebben geweigerd. Van Eeden is positief over deze historische roman en kwam er in een droom een zin uit tegen. In zijn dagboek schrijft hij op 20 juni 1896: ‘’s Nachts werd die zin tegen mij gezegd: “goud bestipt als een omheuveld meer” en dat was mij iets zeer bijzonders.’ Van Eeden concludeert dan dat er ‘een mystiek verband’ bestond tussen zijn eigen werk en Van Oordts roman. Van Oordt gaat op bezoek bij Van Eeden, er komt een vriendschap tot stand en Van Eeden regelt dat zijn uitgever Versluys Irmenlo uitgeeft, verzorgd door Van Eeden én met een inleiding van zijn hand.

Mooi is te lezen hoe Daane beschrijft dat Van Oordt de scènes van zijn historische roman in beelden voor zich wil zien. Hij stuurt de firma Palthe allerlei afgedragen kledingstukken en diverse lapjes in mooie kleuren met de opdracht de kleding te verven, maar Palthe stuurt de rommel van deze gek terug. Na een toelichting van Van Oordt voeren ze alsnog de opdracht uit. In het belang van de literatuur nodigt Van Oordt vervolgens enkele vrienden uit in deze kledij door het bos te kuieren, ook Van Eeden deed eens mee aan zo’n verkleedpartij in gewaden uit de dertiende eeuw ‘ten behoeve van Adriaan Van Oordts zintuiglijke voorbereidingen’.

De vriendschap tussen Van Eeden en Van Oordt leidt ertoe dat de laatste Van Eeden helpt met allerlei praktische zaken rond de start van Walden, zoals de grondaankoop. En Van Oordt geeft aan dat hij met Mary Suermondt in Walden wil komen wonen. Van Eeden over Van Oordt: ‘Hij is een van de zuiverste en beminnelijkste menschen, die ik in mijn leven ontmoet heb.’ Van Oordt koopt echter zelf een stukje grond buiten het eigenlijke kolonieterrein aan de overzijde van de Nieuwe ’s-Gravelandseweg. Vanaf dat moment ontstaan tussen de individualistische Van Oordt en Van Eeden wat kleine en grotere conflicten. Als Van Oordt en Mary dan ook nog zonder Van Eeden daarvan op de hoogte te stellen in 1890 in Engeland trouwen, noteert de laatste in zijn dagboek: ‘Verdriet om het wantrouwen van Van Oordt.’ Het echtpaar Van Oordt breekt met Van Eeden, stapt uit Walden, maar blijft wel in de hut wonen nabij Walden.

Grafsteen van Adriaan van Oordt in Bussum. Foto: Mschapink, Wikimedia Commons.
Daane behandelt vervolgens nog enkele werken van Van Oordt, door vrienden als Herman Robbers en Frans Coenen positief besproken. Maar vanaf 1905 krijgt Van Oordt hartklachten, later ook een hevige longontsteking, terwijl hij met zijn gezin leeft in de hut, die ongeschikt is voor iemand in zijn conditie. Op 20 september 1910 vermeldt Van Eeden in zijn dagboek: ‘Van Oordt is stervende. De droefheid van onze verwijdering en misverstanden is nu niet meer voor me wat het vroeger zou geweest zijn. Alles omdat ik nu beter het blijvende en eeuwige besef. Ook de luguberheid van zijn sterfbed, daar in de hut, met vrouw en jonge kinderen. Ik weet nu te goed hoe dit alles vereffend en gecompenseerd zal worden.’ Op 9 oktober 1910 sterft Adriaan van Oordt.

Vrienden en collega’s bekostigen een zandstenen grafmonument, dat op 8 oktober 1911 op de begraafplaats te Bussum onthuld wordt. Toevallig – of niet toevallig – bevond Frederik van Eeden zich op die dag ook op de begraafplaats, blijkens een aantekening in zijn dagboek. Een eerbetoon voor het werk van Adriaan van Oordt, dat hij altijd los had willen zien van de persoon? Van een graf van Van Oordt is momenteel geen spoor meer, het enige wat in Bussum nog aan hem herinnert is het grafmonument.

Marco Daane, ‘Niets te gering en niets te hoog. Leven, werken en vergetelheid van Adriaan van Oordt’, De Parelduiker 30 (2025), nr. 1.

Roel Jonker

Loading

‘De grote dag dat Van Eeden kwam’

In zijn onlangs verschenen biografie Weerloos tegenover alles. Het leven van Victor E. van Vriesland (Amsterdam/ Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2023) schenkt Rob Groenewegen ook aandacht aan Frederik van Eeden.

Groenewegen schetst hoe moeilijk Van Vriesland tot het schrijven van literair werk kwam, hoe gemakkelijk hij in de omgang was, dat hij kon beschikken over een groot netwerk van literatoren en andere kunstenaars, met wie hij nacht na nacht doorhaalde met behulp van grote hoeveelheden drank. Vic was een man van de wereld, een man van veel vrouwen, een man van talloze jury’s en bestuursfuncties, een man van veel feesten en alcohol, maar een man die moeizaam tot schrijven kwam: de Verzamelde gedichten van Vic, die zich in wezen dichter voelde, telt 300 pagina’s, vertalingen inbegrepen.

In de biografie lezen we hoe de aanvankelijke bewondering voor Frederik van Eeden van de 32 jaar jongere Van Vriesland (geboren in 1892) uiteindelijk eindigt in een conflict tussen beide auteurs. Vics aanvankelijke bewondering voor Van Eeden nam gaandeweg af. Groenewegen: ‘Zo was hij zeer enthousiast geweest over de tekst van Frederik van Eedens toneelstuk Lioba (1897). Maar nadat Dèr Mouw zijn geestdrift had getemperd door hem lachend te wijzen “op allerlei regels, die belachelijk werden door woorden, die uit de toon vielen”, verklaarde Vic zich niet meer te kunnen herinneren dat hij Lioba zo mooi had gevonden.’ (p. 85). Natuurlijk zegt dit ook veel over het selectieve geheugen van Van Vriesland.

Omstreeks 1915 huurde de familie Van Vriesland in Bloemendaal ‘Villa Ilonka’, in eigendom van de Hongaarse Giza Ritschl. Ritschl verkreeg enige bekendheid met haar poëzie; na de bemoeienis van Van Eeden, die haar werk bewonderde, verscheen in 1901 haar debuutbundel Verzen. Als Ritschl aankondigt samen met Van Eeden bij de Van Vrieslands te komen koffie­drinken, noteert Vic (Herinneringen, p. 148–149): ‘Ik was helemaal door het dolle heen, de grote dag dat Van Eeden kwam (…) Ik keek erg tegen die man op.’ Maar Vics geloof in Van Eeden sloeg om in ongeloof toen hun contact zich begon te verdiepen. Aan zijn waardering voor de mens Van Eeden begon de twijfel uiteindelijk te knagen (Herinneringen, p. 150):

Toen kwam Van Eeden af en toe bij me logeren. Toen kreeg ik al een beetje een onprettig gevoel over deze man, omdat hij, ja, hij kwam bijvoorbeeld altijd lezingen houden over zeer verheven onderwerpen zoals geheelonthouding (…) en beter leven en ethische zaken. Maar intussen ging hij, voordat hij die lezing hield, met mij in de stad ongelooflijk zwaar en goed dineren, was daarbij geen vegetariër, dronk een halve fles wijn op, matig hoor, maar toch wel graag. En dat klopte niet, en als ik dan heel schuchter iets zei, niet ironisch of zo, maar uit de volheid van mijn bewondering, dan zei hij: ‘Ja, dat doe ik om mijn wil te stalen. Ik moet het kennen om de verleiding te weerstaan.’

Dat was in 1917. Twee jaar later, na de dood van Dèr Mouw, raakten ze verwikkeld in een hevig conflict. Dat speelde om de postume uitgave van Brahman I van Adwaita / Dèr Mouw. Van Eeden wilde de bundel van een voorwoord van zijn hand voorzien, Van Vriesland torpedeerde dat plan, indachtig de wens van Dèr Mouw: de bundel moest zonder enige denkbare steun zijn weg naar de lezers vinden. De auteursrechten waren op 21 september 1919 in handen van Van Vriesland gekomen. Dat gaf al wrijving. Daarnaast werd vastgelegd dat Van Eeden niet voor het verschijnen van de bundel over de inhoud in De Groene zou schrijven. Op 18 juli 1919 herinnerde Vic hier Van Eeden op niet echt subtiele wijze in een brief aan.

Dat schoot bij Van Eeden in het verkeerde keelgat, hij schreef onmiddellijk een pinnige brief terug, maar hij bleek dan ook in het nauw gedreven: nog voor de publicatie van Brahman I verscheen in De Groene al een herden­kings­artikel waarin één vers uit de bundel was afgedrukt. En dan ook nog met zet- dan wel kopieerfouten. Vic sommeerde Van Eeden schriftelijk hiermee te stoppen, stuurde ook nog een telegram naar de redactie van De Groene en volgens Van Vriesland volgde er toen nog ‘een oneindig giftige brief’ van Van Eeden aan hem. Maar Van Eeden zweeg wel enkele maanden in De Groene over Dèr Mouw. ‘Tussen hem en Vic kwam het nooit meer goed.’ (p. 188–191).

Terwijl de heren jarenlang een goed contact hadden (p. 157):

In een poging zich maatschappelijk te positioneren (…) ging Vic op zoek naar een baantje, een net baantje, waarmee hij voor de dag kon komen. Op aanraden van Van Eeden of van De Haan solliciteerde hij naar de functie van secretaris bij de Nederlandse Signifische Kring. (…) Vic werd afgewezen. Rouwig was hij er niet om. Het leven van bohemien met een goed gevulde portemonnee beviel hem goed.

Roel Jonker

Loading

Dwepers en dromers

In 2022 verscheen van Jan J.B. Kuipers: Dwepers en dromers. Tegenculturen in Nederland 1890–1940 (Walburg Pers, Zutphen). Frederik van Eeden kon daarin natuurlijk niet ontbreken.

De Nederlandse samenleving veranderde razendsnel aan het eind van de negentiende eeuw. Oude, vertrouwde waarden wankelden door een stroom aan nieuwe ideeën en levensstijlen. Alles moest anders: de inrichting van de maatschappij, de omgang met het lichaam en ook religie en spiritualiteit. Anarchisten, vege­ta­riërs, theosofen, spiritisten, utopische kolonisten, feministen, strijders voor homo­rechten: de verschillende stemmen van linkse activisten tot ultrarechtse ‘trekvogels’ en reactionaire cultuurcritici vormden een verwarrend koor.

Schrijvers en kunstenaars speelden in al deze bewegingen een grote rol: bijvoorbeeld de alomtegenwoordige Frederik van Eeden met zijn kolonie Walden in Bussum. Of de kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum, met wijsgeer-spiritualist-vegetarisch propagandist Felix Ortt. De communistische dichters Herman Gorter en Henriette Roland Holst, Maurits Wagenvoort met zijn roman De droomers (1900) over het anar­chisme van de daad. Ook een Mussolini-bewonderaar als Jan Toorop, de fascistische sympathieën van Hendrik Marsman en Nederlands wonder­lijkste fascist Erich Wichmann met zijn bentgenoten passeren de revue.

Kuipers schrijft met vlotte pen over de ‘dwepers en dromers’ uit deze periode. Natuurlijk krijgt Frederik van Eeden veel aandacht, vooral in verband met de kolonie Walden, een van de ‘utopische kolonies’ uit die tijd. Dat Kuipers niet veel op heeft met de ideeënrijke Van Eeden zal hieronder blijken. Hij wijst erop dat het plan voor coöperatieve rijkshoeven dat Van Eeden al in 1897 in De Gids lanceerde gezien moet worden als voorloper van Walden. Vervolgens schetst hij de start en de opkomst van de kolonie, met de bakkerij als grootste succes. Maar Van Eeden heeft ‘een ongeneeslijke neiging tot verkondiging’, wat botst met zijn ‘gedoe met vrouwen’. Deze ‘manoeuvres’ overschaduwen Van Eedens kwaliteiten als moraalridder. In 1906 verlaten de bakkers de kolonie wat het faillissement van Walden in 1907 inleidt.

In het commentaar dat Kuipers geeft op de vele ideeën die Frederik van Eeden ontwikkelde en de pogingen die ideeën in daden om te zetten, blijkt nadrukkelijk hoe Kuipers hem ziet. Hieronder nog enkele voorbeelden uit Dwepers en dromers.

Zo was er voor het opkomend vegetarisme (de kolonie in Blaricum!) weinig begrip, ‘behalve bij sommigen die toch al notoir eigenzinnig en maat­schappij­kritisch waren. Van Eeden en Domela Nieuwenhuis waren allebei vegetariër natuurlijk (…)’ (p. 57). Kuipers schenkt aandacht aan de criticasters van jonge bewegingen als spiritisme en theosofie, zoals, in het begin van de twintigste eeuw, de filosoof G.J.P.J. Bolland. En meldt dan: ‘Frederik van Eeden was – uiteraard – genuanceerder, zowel over de theosofie als over haar stichter Blavatsky.’ (p. 83). En, over de ideeën van Blavatsky: ‘De aanvallen op deze fantastische hocus pocus waren vanzelfsprekend niet van de lucht.’ (p. 85).

Als Van Eeden een correspondentie begint met Erich Gutkind en de Forte Kreis-beweging een aanvang neemt: ‘Hoog bleef de rots van Van Eedens ego en daadkracht vooralsnog uittorenen boven de vaak zware branding van zijn twijfels, zelfkritiek, depressies en teleurstellingen.’ (p. 95). Om na het mislukken van de beweging af te sluiten met: ’Maar alles spatte als een zeepbel uiteen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914.’ (p. 96).

Na de bespreking van de vele seances die Van Eeden en Truida Everts volgden bij eerst Emilia Welters-de Guasco en later Annie Bosch is de conclusie van Kuipers: ‘Van Eeden keek duidelijk neer op de kinderlijkheid en vulgariteit van zijn contactpersonen met het geestenrijk, maar tegelijk bleek zijn kritische zin bij deze spirituele avonturen grotendeels verdwenen.’ (p. 98).

Over ‘het Godshuis in de Lichtstad’ (1920/1921): ‘Het was het laatste grote project van de Bussumse goeroe en in zekere zin zijn laatste fata morgana.’ (p. 137). En over een opmerking die Frederik van Eeden op 6 januari 1919 in zijn dagboek maakt over een voordracht die hij gaat houden over de Lichtstad: ‘Hetzelfde mengsel van hoogmoed en diepe twijfel dat we kennen van zijn eerdere exploraties én dezelfde foute inschatting over de realiseer­baarheid.’ (p. 137).

Voor de Van Eeden-liefhebber is het lezen van dit boek geen onverdeeld genoegen…

Roel Jonker

Loading

De Tuin Van Eeden

Bij uitgeverij Boekscout verscheen in juni 2021 De Tuin Van Eeden, dat zich afspeelt in 1899 op de kolonie Walden, gesticht door Frederik van Eeden. Zijn vrouw, minnaressen, patiënten, zoon, bediende en jonge protegés zijn getui­gen van de geleidelijke afbrokkeling van de idealen en van de noodlottige invloed die een ‘mens met de beste bedoelingen’ kan uitoefenen op zijn omgeving. De roman ontvouwt zich via een reeks brieven en gebeurtenissen, waarin feit en fictie in elkaar vervloei­en, tot bij de fatale ontknoping. Auteur is Marijke Coornaert.

Marijke Coornaert geeft er blijk van dat zij de feiten uit het leven van Frederik van Eeden goed kent; allerlei details over zijn bestaan ten tijde van Walden verwerkt zij in haar verhaal. Zelf zegt zij dan ook dat zij zich zeer heeft laten inspireren door lezing van de twee delen biografie van Jan Fontijn. Het boek is geschreven in een soepele leesbare stijl en voor Van Eeden-liefhebbers, die er veel in zullen herkennen, een prettige leeservaring.

Roel Jonker

Loading

Jan Fontijn 1936-2022

Op 6 januari 2022 overleed op 85-jarige leeftijd Van Eeden-biograaf Jan Fontijn. In 1990 verscheen het eerste deel van de biografie, Tweespalt, dat zijn dissertatie was aan de katholieke Universiteit Nijmegen. Deel 2, dat het leven van Frederik van Eeden beschreef vanaf 1901, verscheen in 1996. Fontijn was een groot kenner van de negentiende-eeuwse letteren en een bewonderaar van de schrijver Jacob Israël de Haan. Hij geldt als de inspirator van de Nederlandse schrijversbiografie. In Broeders in bedrog: de biograaf en zijn held uit 1997 legt hij op vaak geestige wijze rekenschap af van zijn jarenlange toewijding aan de Van Eeden-biografie.

In Neerlandistiek, online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek, schreef Marita Mathijsen een ‘In memoriam Jan Fontijn 1936-2022’ (12 januari 2022). Mathijsen: ‘De neerlandistiek heeft een van zijn parels verloren. Mensen zoals Jan Fontijn maakten de neerlandistiek in de jaren zeventig en daarna tot een geliefd en gerespecteerd vak aan de universiteit.’ En: ‘Zijn werk hoort bij het beste wat de neerlandistiek heeft opgeleverd. Veel indruk maakte, lang geleden al, zijn gewaagde interpretatie van Louis Couperus’ verhaal De binocle, een interpretatie die nog steeds opgeld doet en op middelbare scholen een eyeopener werd. Zijn biografieën van Frederik van Eeden en van Jacob Israel de Haan zijn voorbeeldig en hebben niet voor niets veel erkenning en bekroningen gekregen.’

Roel Jonker

Loading

Nescio en Van Eeden

In mei 2021 verscheen bij Uitgeverij Van Oorschot Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh van Lieneke Frerichs. Van Nescio verschenen in 1918 de verhalen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje in boekvorm. In deze prachtige biografie over deze gecom­pli­ceerde man, auteur van maar een klein oeuvre, ook aandacht voor Frederik van Eeden.

Grönloh, 22 jaar jonger dan Van Eeden, was duidelijk een bewonderaar. Enkele passages waarin een rol is weggelegd voor Van Eeden lichten we uit de biografie, maar lees vooral zelf dit levensverhaal. In ieder geval is bij hele generaties scholieren de eerste zin van het verhaal De uitvreter bekend: ‘Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ Frederik van Eeden deed deze uitspraak min of meer in ‘Een onzedelijk boek’, zijn artikel over Een liefde van Lodewijk van Deyssel: ‘Als den dag van gisteren heugt het mij hoe ik de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vond.’ En zo leeft Van Eeden voort in het werk van Nescio!

In een bewaard gebleven onvoltooide brief met de aanhef ‘Meisje’, gedateerd 25 mei 1901, schrijft Grönloh: ‘Toen ik nu bijna door de vijfde klas H.B.S. was, in April 1899, kwam de geweldige omkeering. Twee kleine boekjes van Frederik van Eeden brachten die aan den gang. Ofschoon je zelfs nog nooit van den man gehoord hebt zou ik je toch aanraden ze eens te zien en te lezen te krijgen. “Waarvan leven wij” en “Waarvoor werkt gij” heten ze.’ (Frerichs, p. 54).

In Waarvan leven wij?, een lezing door Frederik van Eeden in december 1898 gehouden te Rotterdam, doet Van Eeden een oproep aan de leden van de bezittende klasse om hun leven drastisch te veranderen. De lezing Waarvoor werkt gij? spreekt Van Eeden uit op 14 maart 1899 in Amsterdam voor een gehoor van arbeiders. Hij spoort ze aan om niet meer voor de kapitalisten te werken. Beide lezingen verschijnen als brochure in 1899.

Niet veel later solliciteert Grönloh schriftelijk naar een plek op Walden. ‘Van Eeden liet hem op 11 april 1900 per briefkaart weten dat hij weinig kans maakte, “want ik heb hier juist arbeidskrachtige menschen noodig met een gezond zenuwleven, die goed weten wat zij willen.”’ (Frerichs, p. 55).

Grönloh raakt op de zangvereniging bevriend met buurtgenoot Johan Hendrik (Jan) de Wilde. Deze De Wilde staat in correspondentie met Frederik van Eeden. De Wilde krijgt een convocatie toegezonden voor waarschijnlijk een vergadering op 12 mei 1900; een poging de diverse voorstanders van landkolonisatie te organiseren. Maar hij laat Van Eeden weten dat hij met vrienden aan het sparen is voor een stukje land. In juni 1900 leest Grönloh Recht of macht van Van Eeden (Frerichs, p. 87).

Grönloh bezat twee prentbriefkaarten met een afbeelding van Tolstoj; punaisegaatjes laten zien dat ze als wandversiering hebben gediend. Hij had trouwens ook een dergelijk portret van Van Eeden (Frerichs, p. 118-119).

Voor haar negentiende verjaardag kreeg Agaat van haar kersverse verloofde De kleine Johannes van Frederik van Eeden, ze vond het prachtig. Hij had haar daarna diens roman Van de koele meeren aangeraden, maar ze vond ‘Hedwig zoo onzinnig overdreven dat ik soms ’t boek zoo weg wilde leggen, maar ik wil ’t eind weten en daarom lees ik ’t uit. Nu moet je niet kwaad worden engel, ik kan ’t heus niet helpen. Zaterdag zullen wij er wel eens over spreken.’ Aldus Agathe in een brief van 19 maart 1902. Agathe was blij dat Frits [Grönloh] en zij zo heel anders waren dan Hedwig en Gerard. ‘Verbeeld je die vonden ’t naar als zij alleen waren en wij genieten dubbel als wij alleen zijn.’ Met Van Eedens Johannes Viator kon ze helemaal niet uit de voeten: ‘Johannes Viator begrijp ik niet maar jij zult het mij wel zeggen en leeren begrijpen hè lieveling.’ Frits vroeg Johannes Viator van Agathe als verjaardagsgeschenk toen hij twintig werd (Frerichs, p. 122-124).

Omdat ‘Tames’, het kolonieproject dat Grönloh met enkele zielsverwanten tracht op te zetten, niet goed van de grond komt, solliciteert hij omstreeks 1903/1904 opnieuw naar een baantje op Walden (Frerichs, p. 155).

Agathe bezoekt samen met haar vriendin Ali Westdorp de première Don Torribio waarbij ook Frederik van Eeden aanwezig is. Ze geeft, in een brief van 16 september 1903, een prachtig beeld van Van Eeden: ‘Na afloop van ’t stuk moest v. Eeden komen. Hij durfde eerst niet en stak enkel zijn hoofd door de coulisen, de tweede keer kwam hij wat verder. Toen nam Don Torribio hem bij de hand en samen kwamen ze toen voor ’t voetlicht. v.E. had een paar palmtakken met bloemen bij elkaar gehouden in zijn hand. Ali en ik hebben zoo geklapt dat onze handen nog pijn doen. Ik heb hoera geroepen niet zoo’n beetje. V.E. lachte zoo gelukkig. Hij had een gewoon grijs pak aan dat vreeselijk komiek stond omdat je zoo gewend ben aan zwarte pandjespakken.’ (Frerichs, p. 163).

Grönloh kwam vanwege zijn bemoeienissen met de Vereeniging voor Gemeenschappelijk Grondbezit nog wel eens op Walden en vertelde hierover diverse anekdotes. Zoals het verhaal, dat tijdens een rondleiding in de moestuin quasi-eerbiedig op een uitwerpsel werd gewezen: ‘(…) en dit is de drol van Emons.’ Frederik Emons was enige tijd de secretaris van Van Eeden (Frerichs, p. 180).

Nol Gregoor, die veel achtergrondonderzoek deed naar de bronnen van o.a. de Anton Wachter-cyclus van Simon Vestdijk (Simon Vestdijk en Lahringen, De biografische achtergronden van de Anton Wachter-romans, Amsterdam 1958) en een dubieuze rol speelde als het ging om het ‘verkrijgen’ van documenten en handschriften, bezoekt eind 1959 enkele keren Grönloh en zijn vrouw. Grönloh kon zich, vermoedelijk getroffen door meerdere CVA’s nog maar moeizaam voortbewegen en zijn spraak was ernstig aangetast. Gregoor biedt aan met het oog op het Letterkundig Museum papieren van Grönloh voor te sorteren. Na enig aandringen pakt de vrouw van Grönloh, terwijl haar man slaapt, de inhoud van een la over in pakpapier en geeft het pakket aan Gregoor mee… Frerichs: ‘Twintig jaar later heeft Gregoor nogmaals over dit bezoek, en de twee visites daarna, geschreven. De schrijver had niet veel gezegd, maar gevraagd naar de bezigheden van Van Eeden op Walden had hij geantwoord: “Hij wond de klok op” – als hij iets zei was dat vol effectbejag, aldus Gregoor.’ (Frerichs, p. 529; bron: Nol Gregoor, ‘Wie zag het eerst de lade van Nescio’, in: Over Nescio, 1979, p. 299-303).

Roel Jonker

Loading