Onveranderlijk zichzelf

In december 2025 verscheen de biografie over schrijver Arthur van Schendel (1874–1946), Onveranderlijk zichzelf. Biograaf Rob Groenewegen signaleert zelf in zijn nawoord dat zijn opdracht een lastige is: ‘Maar hoe iemand op papier tot leven te brengen die weinig tot niets over zichzelf prijsgaf?’ (p. 263). Toch staat in deze biografie vooral het leven van Arthur van Schendel centraal en niet zijn oeuvre.

Over Een zwerver verliefd (1904), Het fregatschip Johanna Maria (1930), De Waterman (1933), Een Hollandsch drama (1935), boeken die onder scholieren mateloos populair waren in tijden dat het fenomeen ‘leeslijst’ nog van belang was, krijgen we maar weinig informatie. Wel schetst Groenewegen hoe Van Schendel deel uitmaakt van de literatuur en de maatschappij van het interbellum. Hij ontmoet tijdgenoten als Willem Witsen, Willem Kloos, Frederik van Eeden en Jan Toorop. Ook met latere literatoren als Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Eddy du Perron had Van Schendel contact.

Het enorme oeuvre van Van Schendel kwam tot stand omdat iedere dag gewerkt moest worden, zelfs op het strand van het Italiaanse Sestri Levante waar hij lang woonde. Collega’s vertellen dat hij zich vaak terugtrok uit een gezelschap, de schuifdeuren sloot en zijn potlood pakte. De biograaf schrijft zelfs dat Van Schendels werkkracht ten koste lijkt te zijn gegaan van zijn gezondheid in zijn laatste jaren. Als hij een onderscheiding of prijs kreeg, vond hij dat ongemakkelijk en kwam liever niet.

Zijn persoonlijke leven was rijk aan drama’s, waarbij het overhaaste huwelijk met de rijke Bertha Zimmerman, die een onwettig kind had van een getrouw­de man en vlak na de bevalling in het geheim met Van Schendel trouwde, voor Van Eeden-volgers interessant is. We komen daar hieronder op terug.

Naast een negatieve recensie van Owen Donkers op het literaire weblog Tzum, die vooral het taalgebruik en de zinsconstructies van Groenewegen veroor­deelt, heeft ook Petra Teunissen-Nijsse op Biografieportaal niet veel lof voor de biografie:

Tja, wat blijft er over als je een biografie schrijft over een auteur en niet het werk wil analyseren en ook geen psychologische duiding van het leven wil geven? Een kroniek, een verzameling anekdotes en veel vragen. Die vragen stelt Groenewegen gelukkig zelf, bijvoorbeeld over Van Schendels afschuwelijke jeugdjaren. Waar kwam de verafgoding van Kloos vandaan? Had Van Schendel voor zichzelf geen extra verant­woor­ding nodig om in het fascistische Italië te wonen? Zou Van Schendel zijn verleden niet kunnen hebben aangepast aan latere persoonlijke opvattingen. De biograaf stelt zelfs tientallen uitstekende vragen zoals bovenstaande, maar helaas zijn de antwoorden schaars: “een punt als dit komt nergens ter sprake in Van Schendels – bewaard gebleven – brieven.” […] Helaas, deze biograaf liet mij verdwaald achter in het leven van Van Schendel.

Van Schendel trouwde met zijn eerste vrouw Bertha Zimmerman, en daar in de biografie is de link met Frederik van Eeden. Eerst al heeft Groenewegen gemeld dat voor een beoordeling van een eventuele bevordering in 1891 naar de tweede klas van de Tooneelschool in Amsterdam Arthur van Schendel een van zijn eigen verzen voordroeg, opgedragen aan Frederik van Eeden (p. 47). Het begint als volgt:

Fel flonkerend stralend-goud in purperwaas,
Van wraakzucht gloeiend daalt de avondzon
In ’t bloedig Westen neer gevolgd door tergend
Spotgekrijsch van gieren strijkend op de
Malsche verschgevelde menschenlijken
En schaterlachend om den broedermoord;
[…]

Dan is er nog zeker sprake van bewondering voor de oudere schrijver. En in september 1891 stuurt Van Schendel, nog steeds pas zeventien jaar, tot twee keer toe een brief aan Frederik van Eeden met het verzoek enkele van zijn gedichten in De Nieuwe Gids te plaatsen. Beide brieven blijven onbeantwoord.

Later hebben beide schrijvers elkaar alsnog ontmoet. Van Eeden schrijft op 17 november 1896 in zijn dagboek: ‘Thuis vond ik van Schendel , daarmee den ganschen avond gepraat.’ Vermoedelijk is het verschijnen van de roman Drogon (1896) hier de aanleiding toe geweest. En in een brief schrijft Van Schendel Frederik van Eeden (6 februari 1897): ‘Toen ik drie dagen in Enge­land was wilde ik u al dadelijk schrijven, en wel over het eten hier, speciaal met betrekking tot de bijzondere spijzen die ik bij u genoten heb. Maar dat zou ongepast geweest zijn.’

Maar dan Bertha Zimmerman (1870), jongste dochter in een deftig gezin van zes kinderen. Vermoedelijk ontmoette Van Schendel al in 1901 in de lompen­molen aan de Tolstraat in Amsterdam de hoogzwangere Bertha Zimmerman. In juni 1901 werd haar dochter Hubertina geboren. Vader was de getrouwde Willem van Meurs, die we in het ook door Groenewegen geraadpleegde Walden-dagboek voor het eerst vermeld zien in februari 1898: ‘Van Oordt in ’t complot, later Van Meurs en Steenhoff.’ (Walden in droom en daad, Walden-dagboek en notulen van Frederik van Eeden e.a., 1898–1903, ed. J.S. De Ley en B. Luger, Amsterdam 1980, p. 64).

Toen Bertha vier jaar oud was, overleed haar moeder, haar vader viel ten prooi aan zwaarmoedigheid. Naar het schijnt is Bertha bij Van Eeden in therapie geweest. Ze schrijft hem althans op 11 juli 1899 een brief, waarin ze gewag maakt van het feit dat er onder haar leiding iets goed mis is gegaan in haar fröbelschool of in het weeshuis die onder haar leiding stonden. De brief is te lezen als een afscheid van Walden.

Maar eerder, in april 1898, weet Van Eeden Bertha ervan te overreden een bedrag van dertigduizend gulden beschikbaar te stellen om ‘voor haar’ villa Cruysbergen te kopen. Groenewegen: ‘In de eerste week van juli vond de overdracht plaats, en had de dwingeland zijn zin gekregen.’ (p. 84). In een noot voegt Groenewegen eraan toe: ‘Naar verluidt zou later onder de bewoners van Walden het gerucht zijn rondgegaan dat Van Eeden haar door middel van hyp­nose zo gek had weten te krijgen.’ (p. 279). Woordkeus en speculatie laten we maar even voor verantwoording van Groenewegen. In het Walden-dag­boek lezen we de nuchtere notities: ’24 April. Bertha Zimmerman gevraagd of ze Cruysbergen wou koopen.’ (Walden, p. 66) en: ’26 April. Cruysbergen gekocht voor B. Zimmerman.’ (Walden, p. 67).

In ieder geval krijgt de familie Zimmerman lucht van deze transactie en van het feit dat Bertha elke maand honderd gulden aan Van Eeden doneerde. Oudste broer Willem Zimmerman schrijft Van Eeden een woedende brief. Het conflict laait hoog op en de familie Zimmerman dreigt Bertha onder curatele te stellen. Dat Bertha van haar familie niet op Walden mag wonen noteert Van Eeden als volgt in het Walden-dagboek: ‘1 Sept. Bertha Zimmerman wil niet op Cruysbergen komen. Ik zie van Cruysbergen af.’ (Walden, p. 72).

In juli 1899 komt Betsy van Hoogstraaten Van Eeden financieel te hulp en betaalt aan Bertha de helft van die dertigduizend gulden terug. Voor de andere helft (dus vijftienduizend gulden, het equivalent van het huidige bedrag van een half miljoen euro) gaat Van Eeden een renteloze hypotheek bij Bertha aan op voorwaarde dat die uiterlijk 1 mei 1905 zou zijn afgelost. Van Eeden: ‘28 Juni. Bertha Zimmerman geeft volmacht aan haar broer, die dreigt Cruys­bergen te verkoopen. Ik bied aan Cruysbergen te koopen op crediet. Het maaien begint.’ (Walden, p. 84) en: ‘1 Juli. Regen, er liggen nog vier wagens hooi te veld. Labberton weer hier. Beslissing dat ik met mevr. Van Hoogstraten Cruysbergen zal koopen, voor 30.000, mijn helft bestaande uit een rentelooze hypotheek tot 1905. Dit ’s avonds meegedeeld aan de Zaterdagavond krans, en hen toegesproken om tot hard werk en soberheid te manen.’ (Walden, p. 85).

In januari 1901 laat de zwangere Bertha een testament opmaken waarin ze verklaart dat bij haar dood alle schulden die Van Eeden aan haar heeft, worden kwijtgescholden. Van Eeden stelt ze daarvan op de hoogte. In april laat ze een nieuw testament opstellen waarin haar kind (of kinderen) tot enige erfgenaam wordt benoemd. Van deze wijziging wordt Van Eeden niet op de hoogte gesteld.

In 1902 reizen Arthur van Schendel, Bertha en dochter Hubertina naar Engeland, waar ze in augustus in Londen in alle stilte trouwen. Gelijk daarop erkent Van Schendel Hubertina (‘Bartje’) formeel. En dus is Arthur van Schendel nu partij geworden in het conflict tussen de familie Zimmerman en Frederik van Eeden. Want alles wat op de grond van Walden stond zou gemeenschappelijk bezit moeten worden en dus heeft Van Eeden, uitgaande van het eerste testament van Bertha, haar gevraagd de hypotheek teniet te doen, niet ten gunste van hem, maar ten gunste van de vereniging. Van Schendel, als echtgenoot van Bertha verantwoordelijk voor het beheer over haar vermogen en handelen, deelt mee dat van het schrappen van de hypotheek geen sprake kan zijn.

In de zomer van 1903 zet Van Eeden de volgende stap: hij laat een notaris melden dat hij een lap grond van Cruysbergen wil verkopen en dat de hypotheek er dus af moet. En: ‘Ook verzocht van Eeden mij u te vragen of u de geheele hypothecaire vordering aan hem wilde afstaan voor een matige vergoeding. Hij verklaart dat Mevrouw hem in der tijd heeft beloofd de geheele hypothecaire vordering te schenken, maar zoo noodig is hij bereid daarvoor iets te betalen.’ Aldus notaris K.J. Perk op 8 augustus 1903 aan Bertha Zimmerman en Arthur van Schendel (p. 88). Vervolgens wil Van Eeden de schuld afkopen met een bedrag van tienduizend gulden. De Van Schendels weigeren wederom, waarop Van Eeden een woedende brief schrijft; hij weigert de hypothecaire schuld te erkennen, uit brieven van ‘mej. Zimmerman, thans Mevrouw van Schendel’ blijkt dat het altijd als een schenking is bedoeld. Voor Van Schendel en Bertha is dan de maat vol en Van Schendel schrijft vervolgens een gedetailleerde brief naar twee advocaat-procureurs, gedateerd 30 december 1903 (p. 89–92).

Het antwoord stelt hen geheel gerust, de hypothecaire vordering is waterdicht. Toch doet Van Eeden nog een laatste poging een paar dagen voor het aflopen van de hypotheek. Op 23 april 1905 schrijft hij de dan al zieke Bertha: ‘Nu vraag ik je voor het laatst, zul je je geweten bezwaren met een laaghartige woordbreuk, waarvan niet ik de dupe zal zijn, maar alleen de arme, hardwer­kende arbeiders?’ Het is onduidelijk hoe Van Eeden er in geslaagd is enkele dagen later de hypotheek toch te kunnen inlossen. In zijn persoonlijke dagboek schrijft hij, 30 april 1905: ‘Geloopen om het geld te krijgen voor de hypotheek. Bitter verontwaardigd over de laffe, laaghartige menschen.’

Roel Jonker

Rob Groenewegen, Onveranderlijk zichzelf. Het leven van Arthur van Schen­del (1874–1946), Zutphen: Walburg Pers, 2025.

Loading