Een korte flirt…

Willem Pijper, geboren in 1894, was ontegenzeggelijk een dubbeltalent. Componist en letterkundige, auteur van vileine en virtuoos geschreven muziekrecensies in het Utrechts Dagblad. En volgens de schrijver Hendrik Marsman, dorps- en generatiegenoot uit Zeist, zelfs ook ‘haremhouder’. Neerlandicus Arthur van Dijk beschrijft in de in 2025 uitgekomen biografie uitgebreid de persoon Pijper, zijn muzikale activiteiten komen minder uitvoerig aan de orde.

In deze biografie, Een lied dat niet sterven zal, lezen we dat Willem Pijper zich als jongeling van tweeëntwintig jaar heeft laten inspireren door Frederik van Eeden. Van Dijk schrijft dat Pijper in juni 1917 werkt aan een suite voor orkest, geïnspireerd op Van Eedens De kleine Johannes. In die maand heeft hij daar twee delen van af. In september van dat jaar blijkt dat Pijper werkt aan een Eerste Symfonie, hij licht deze compositie zelf toe in een brief van 24 september aan componist en dirigent Jan van Gilse van het Utrechtsch Stedelijk Orchest:

Ik noemde het symfonie, omdat het te groot van afmeting en conceptie geworden is voor het begrip suite. En voor het programmatische deel voel ik ten slotte weinig – ik geloof dat men – tenminste de muzikale ‘men’ – er meer aan zal hebben zónder De kleine Johannes-associaties.

Een eerste ontmoeting tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden vindt op 23 september 1917 plaats bij een wederzijdse kennis; vervolgens bezoekt Pijper op 14 oktober het echtpaar Van Eeden op Walden. Over dit bezoek schrijft Van Eeden in zijn dagboek:

Gisterenavond waren bij mij de componist Pijper met zijn verloofde, juffrouw Werker en De Winter. Hij speelde een symfonie voor die geïnspireerd was door De kleine Johannes. Het laatste gedeelte is De Dood van Pan. Hij is zeer modern en zijn muziek vol dissonanten. Ook had ik soms een demonische indruk. Ook Truida voelde dat. Maar het is zeer knap werk.

Maar het is duidelijk dat wat eerst nog werd opgezet als een suite ter illustratie van het boek, is uitgegroeid tot een autonome symfonie, die mogelijk wel dezelfde associaties oproept als het werk van Van Eeden. Want als de Eerste Symfonie van Pijper op 25 april 1918 onder Willem Mengelberg in première gaat, schrijft Pijper in de programmatoelichting:

Wanneer ik de stemmingen van het werk en van de onderdelen moest gaan omschrijven, zou ik waarschijnlijk het best fragmenten uit Frederik van Eedens De kleine Johannes kunnen citeren. De hele symfonie is natuurbeschrijving, er is geen enkel menselijk-psychologisch conflict in het stuk en Van Eedens beschrijvingen van een feest in een konijnenhol, van een maannacht in het duin, van een kabouter- en paddenstoelen­milieu, zijn visionaire schilderingen van Vader Pans tragische dodenstoet, geven de stemmingen virtuozer en raker dan ik het zou kunnen doen. Hiermede is niet gezegd dat de symfonie een muzikale illustratie is van het bekende boek, zoals sommigen nog steeds schijnen te menen, maar wél zou ik mij kunnen voorstellen dat de lectuur ervan bij de lezer soortgelijke gevoelens wekte als het muziekstuk bij de toehoorder.

De recensies vermelden dat deze Eerste Symfonie van Pijper onmiskenbaar Mahleriaans is. Van Eeden maakt in zijn dagboek geen enkele toespeling op deze première. De naam ‘Pijper’ verschijnt trouwens niet meer op de vele latere bladzijden. Ook Arthur van Dijk doet in de biografie verder geen enkele mededeling over later contact tussen Willem Pijper en Frederik van Eeden. Het is dus gebleven bij de kortstondige flirt van de jonge Pijper met het werk van Frederik van Eeden.

Roel Jonker

Arthur van Dijk, Een lied dat niet sterven zal. Het rusteloze leven van Willem Pijper (1894–1947), Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2025.

Loading