Was Frederik van Eeden een ‘fanatieke fantast’? In het boek Fanatieke fantasten (2025) van Henri Beumers is hij slechts een bijfiguur, maar toch duikt hij er regelmatig in op.
Het populair-wetenschappelijke cultuurhistorische overzicht van begin 20ste eeuw wint de laatste jaren aan populariteit. Na onder andere Philipp Bloms De duizelingwekkende jaren (2009) over de jaren 1900–1914 en zijn Fracture. Life and Culture in the West 1918–1938 (voor zover ik kon nagaan niet vertaald), Auke van der Wouds De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900 (2015) en Frank Bokerns De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle (2024) is in 2025 van de hand van emeritus hoogleraar journalistiek (Erasmus Universiteit Rotterdam) Henri Beunders het Interbellum-overzicht Fanatieke fantasten verschenen, met een nadruk op de visionaire denkers van die tijd.
Het boek is een thematische reis door verschillende cultuurproblemen en ideeën uit het Interbellum, met hier en daar een uitstapje naar het fin de siècle en naar onze tijd. Het is af en toe lastig er een systematiek in te vinden; Beunders springt vaak van de hak op de tak en sleept Lely, die hoewel visionair toch ook een tamelijk solide burgerman was, en de excentrieke Sörgel er soms met de haren bij. Het geheel wordt op den duur anekdotisch (hoewel het leuke anekdotes zijn) en retorisch rommelig, waarbij er veel mogelijkheden tot een verdiepend verband met de actualiteit blijven liggen. De eindconclusie dat fanatieke fantasten juist nodig zijn en dat visie een belangrijk deel van de vooruitgang en het oplossen van onze huidige problemen uitmaakt, is ongetwijfeld waar, maar daarmee niet geheel ondersteund.
Frederik van Eeden heeft een bescheiden rol als ‘fanatieke fantast’, maar duikt regelmatig in het verhaal op: eerst als schrijver van Van de koele meren des doods (1900) in een stuk over het vrouwbeeld rond 1900; dan als schrijver van Het Godshuis in de Lichtstad (1921), waarmee hij als utopisch en geestelijk denker wordt gecontrasteerd met de praktische Lely, die ‘horizontaal’ in polders denkt waar Van Eeden ‘verticaal’ naar hemelse hoogten streeft; als schrijver van een artikel in De Amsterdammer in het Zuiderzeenummer (1918) dat pleit voor Lely’s plan, omdat zijn idee van collectieve landbouw in de nieuwe polders kan worden toegepast; en als voorbeeld in het verzet tegen de moderne stedenbouw met zijn oprichting van de plattelandskolonie Walden.
Het boek bevat een index en een literatuurlijst per hoofdstuk; voor
Henri Beunders, Fanatieke fantasten. Dromen over het redden van
Simon Mulder
![]()


