Fanatieke fantasten

Was Frederik van Eeden een ‘fanatieke fantast’? In het boek Fanatieke fantasten (2025) van Henri Beumers is hij slechts een bijfiguur, maar toch duikt hij er regelmatig in op.

Het populair-wetenschap­pe­lij­ke cultuurhistorische overzicht van begin 20ste eeuw wint de laatste jaren aan populariteit. Na onder andere Philipp Bloms De duizeling­wekkende jaren (2009) over de jaren 1900–1914 en zijn Fracture. Life and Culture in the West 1918–1938 (voor zover ik kon nagaan niet vertaald), Auke van der Wouds De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900 (2015) en Frank Bokerns De eerste hippies. Bloemen­kinderen van het fin de siècle (2024) is in 2025 van de hand van emeritus hoogleraar journalistiek (Erasmus Universiteit Rotterdam) Henri Beunders het Inter­bellum-overzicht Fanatieke fantasten verschenen, met een nadruk op de visionaire denkers van die tijd.

Beunders voert als hoofdpersonen de Duitse architect Herman Sörgel en de Nederlandse ingenieur en Minister van Waterstaat Cornelis Lely op. Beunders is zelf opgegroeid in Emmeloord; zijn fascinatie voor de visionaire plannen van Lely zal daar ontstaan zijn. Sörgel, in ons land iets minder bekend, was terzelfdertijd een ambitieuzer plan toegedaan: het indammen van de Middellandse Zee met een titanische dam in de Straat van Gibraltar.

Het boek is een thematische reis door verschillende cultuurproble­men en ideeën uit het Interbellum, met hier en daar een uitstapje naar het fin de siècle en naar onze tijd. Het is af en toe lastig er een systematiek in te vinden; Beunders springt vaak van de hak op de tak en sleept Lely, die hoewel visionair toch ook een tamelijk solide burger­man was, en de excentrieke Sörgel er soms met de haren bij. Het geheel wordt op den duur anekdotisch (hoewel het leuke anekdotes zijn) en retorisch rom­me­lig, waarbij er veel mogelijk­heden tot een verdiepend verband met de actualiteit blijven liggen. De eindconclusie dat fanatieke fantasten juist nodig zijn en dat visie een belangrijk deel van de vooruitgang en het oplossen van onze huidige problemen uitmaakt, is ongetwijfeld waar, maar daarmee niet geheel ondersteund.

Frederik van Eeden heeft een bescheiden rol als ‘fanatieke fantast’, maar duikt regelmatig in het verhaal op: eerst als schrijver van Van de koele meren des doods (1900) in een stuk over het vrouwbeeld rond 1900; dan als schrijver van Het Godshuis in de Lichtstad (1921), waarmee hij als utopisch en geestelijk denker wordt gecontrasteerd met de praktische Lely, die ‘horizontaal’ in polders denkt waar Van Eeden ‘verticaal’ naar hemelse hoogten streeft; als schrij­ver van een artikel in De Amster­dammer in het Zuiderzeenummer (1918) dat pleit voor Lely’s plan, omdat zijn idee van collectieve landbouw in de nieuwe polders kan worden toegepast; en als voorbeeld in het verzet tegen de moderne stedenbouw met zijn oprichting van de plattelandskolonie Walden.

Het boek bevat een index en een literatuurlijst per hoofdstuk; voor de precieze bibliografische verwijzingen is een website opgezet: www.fanatiekefantasten.nl. Deze gegevens zijn dus niet te vinden in het boek zelf; een QR-code achterin het boek leidt de lezer erheen.

Henri Beunders, Fanatieke fantasten. Dromen over het redden van de wereld, Zutphen: De Walburg Pers, 2025.

Simon Mulder

Loading

Van de koele meren des doods hertaald

In 1900 verscheen Frederik van Eedens roman Van de koele meren des doods. 125 jaar na publicatie hertaalde Albert Kroezemann deze tijdloze klassieker in hedendaags Nederlands met behoud van het oorspronke­lijke karakter van de tekst.

Van de koele meren des doods geeft een indringend portret van de gevoelige en intelligente Hedwig Marga de Fontayne. Haar moeder overlijdt als ze dertien jaar is, waardoor het gezin het zwaar te verduren krijgt en haar vader aan de drank verslaafd raakt. Haar huwelijk met Gerard is een vlucht en ze krijgt daarnaast een relatie met de succesvolle pianist Ritsaart. Samen met hem trekt ze naar Engeland, waar ze zwanger raakt. Dan treft het noodlot haar en raakt ze aan de zelfkant van het bestaan. Is het mogelijk om de neergang van haar leven te stoppen?

Albert Kroezemann (Spijkenisse, 1963) studeerde Nederlands aan de Hogeschool Rotterdam. Hij werkt op het Develstein College in Zwijndrecht. Eerder hertaalde hij Langs lijnen van geleidelijkheid en De stille kracht van Louis Couperus. Verder publiceerde hij Naar Indiës blauwe bergen. Op reis met Louis Couperus.

Dietske Geerlings schreef een recensie over deze hertaling op het literaire weblog Tzum:

De schoonheid van de menselijke ziel

Niet eerder zag ik het steeds maar van kleur en vorm veranderende karakter van een fijnbesnaarde ziel zó wonderschoon bijeen­gehouden in de taal als in Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden. Ja, ik las dit boek eerder, jaren geleden, en ook toen was ik er totaal door overrompeld. Eigenlijk was ik een beetje bang voor de hertaling van Albert Kroezemann, bang om mijn mooie herinnering te verliezen door taal die misschien niet zou passen bij de tijd, en dacht – geheel tegen mijn gewoonte in – dat ik misschien alleen zou bladeren om een vluchtig oordeel te kunnen schrijven. Maar nee, ik heb ook deze hertaling woord voor woord gelezen, zoals je hardop in je hoofd kunt voorlezen, traag, tegen alle drukte van de tijd in. Lees verder op het literaire weblog Tzum.

Frederik van Eeden, Van de koele meren des doods. Hertaling
Albert Kroezemann. Uitgeverij kleine Uil, 2025, € 25,00.

Loading

Van Eeden in Mijnsheerenland

Op het literaire weblog Tzum verscheen in de rubriek Schrijversbiotopen een reportage van Albert Kroezemann over ‘Frederik van Eeden op vakantie in Mijnsheerenland’:

Er is niets behalve de eeuwigheid

Op een mooie maandagmorgen in mei 2025 sta ik voor de voorname inrijpoort van ’t Hof van Moer­kerken in Mijnsheerenland. De hoge pijlers van de poort zijn bekroond met ronde, bewerkte vazen en aan de voor­zijde zie ik wapenschilden afgebeeld. De pijlers zijn aan de bovenzijde verbonden door een houten balk waarop de naam van het landgoed staat. Aan beide kanten van de gemetselde boogbrug staan de breed uitstaande hekpalen en obelisken. Verderop zie ik het landhuis al liggen. Lees verder op het literaire weblog Tzum.

Tekening van Frederik van Eeden, met korenmolen De goede hoop en links het dorpje Westmaas.

Loading

Een ‘Jezus-van-de-daad’

Frederik van Eeden als hippie

Eind 2024 verscheen De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle. Frank Bokern beschrijft daarin niet alleen de ‘eerste hippies’ van omstreeks 1900, maar onderzoekt ook de sporen die deze hippiebeweging heeft nagelaten. In zijn boek geeft hij aan dat de hippierevolutie niet begonnen is in de sixties, maar al in het fin de siècle.

Tussen 1900 en 1914 wemelt het in Europa van de alternatievelingen: ze trekken van stad naar stad, leven in zelf­gecreëerde hippie­paradijsjes, prediken de vrije seks, halen hun spirituele inzichten uit India en Tibet en experimenteren met psychedelische middelen. Het ‘magies sentrum’ van de eerste hippies, Monte Verità, bevond zich in Zwitserland. Deze Berg der Waarheid, een ongeveer 300 meter hoge heuvel in Ascona aan het Lago Maggiore, wordt eind negen­tiende eeuw al snel een kolonie voor de alter­natieve scene. Alles draait er om natuurlijk leven, gezond eten, feminisme, pacifisme, maatschappijhervorming.

De eerste hippies begint dus met een historische zoektocht naar de alternatieve voorhoede, die lastig te traceren is en al even moeilijk precies te categoriseren. Die voorhoede neemt voortdurend andere vormen aan. Er werd al veel eerder dan in de sixties met lang haar en op blote voeten rondgelopen, er werd al veel langer de vegetarische leefwijze gezworen. De natuur en de zon worden ook al eeuwen aanbeden tijdens zang- en dansbijeenkomsten. Dat geldt evenzeer voor het omhelzen van het gezond leven- en milieu-ideaal, inclusief zieners en zelfs messiassen. De idealisten van begin twintigste eeuw dwepen met een verlangen dat van alle tijden is. Veel aandacht schenkt Bokern in zijn boek aan Frederik van Eeden, over wie hij overigens lang niet altijd positief oordeelt. Over het Nederlandse equivalent van Monte Verità, Frederik van Eedens Wal­den, meldt hij dat hier vergelijkbare idealen en gedragingen de achter­grond vormen, maar Bokern omschrijft deze Gooise kolonie als bijna calvinistisch sober. Geen Lago Maggiore in de buurt natuurlijk, maar wel veel vrije liefde.

Ontwerp van Willem Bauer voor een hut op Walden, 1898
In het hoofdstuk ‘Apostelen in Het Gooi’ volgt een beschrijving van het ontstaan en verloop van de kolonie Walden. Bokern meldt onder meer dat in 1900 de jonge Nescio (Frits Grönloh) nog voor Walden wordt afgewezen, want Van Eeden heeft ‘juist arbeidskrachtige menschen nodig met een gezond zenuwleven, die goed weten wat zij willen’. Bokern over Van Eeden: ‘Hij scherpt zijn visie op het leven in gesprekken met de Russische revolutionair Peter Kropotkin, de sociaal-idealist Thomas Cobden-Sanderson en de Franse anarchist Elie Reclus. De ideeën die hij bij deze denkers opdoet, vormen de bouwstenen voor het alternatief dat hij wil bieden voor het kapitalistische systeem waar de wereld in zijn ogen onder zucht.’ (p. 38). En: ‘De internationaal gewaardeerde schrijver is rond 1900 nog het best te typeren als een sociaal-anarchist. Tegelijkertijd wordt hij beheerst door een romantisch-spiritueel denken. Geheel in de geest van Tolstoj zoekt hij naar een symbiose tussen socialistische idealen en religie, zonder alle kerkelijke rituelen en instituties. […] De wereld is ziek, en hij is als arts, kunstenaar en Jezus-van-de-daad de aangewezen persoon om de mens de weg te wijzen naar een beter leven.’ (p. 38). En ook: ‘Hij wil ze voorgaan, de rijke vrouwen, de zenuwzieken, de geprangde jonge mannen, de schrijvers en dichters in spe, de mensen die in hun worsteling met de moderne tijd verstrikt zijn geraakt in een verslaving aan morfine, en zelfs de bezitloze klasse.’ (p. 39). En: ‘Vrijwel alle wereldverbeteraars van het begin van de twintigste eeuw zijn voor het vrije huwelijk en de vrije seks.’ (p. 43). Ook Van Eeden heeft een roeping gehad:

In 1898 heeft hij zijn plan in een brief voorgelegd aan Franz Oppen­heimer, een Duitse arts en schrijver die als autoriteit geldt wat betreft idealistische kolonies. Oppenheimer oordeelt uiterst negatief over het plan. Hij vindt Walden slecht van opzet. De Duitser kan Van Eeden vertellen dat mensen nog nooit uit altruïsme hebben samengewerkt. Hij voegt er aan toe dat een dergelijk project al tweehonderd keer is geprobeerd, en evenzoveel keren is mislukt. En hij wil nog wel even kwijt dat hij er moedeloos van wordt dat iedereen telkens van voren af aan begint.’ (p. 40)

Bokern is niet gespeend van enige lust tot sensatie. Volgens de literatuur­opgave heeft hij onder andere gebruik gemaakt van de tweedelige biografie van Jan Fontijn, hij maakt daar dit van:

Ook het vlees van Van Eeden blijkt zwak. Al snel na zijn huwelijk met Martha van Vloten is hij een onstuimige affaire begonnen met Betsy van Hoogstraten, een vrouw die een belangrijke financier zal worden van Walden. Als zijn vrouw en de minnares eindelijk een manier hebben gevonden om met elkaar om te gaan in de kolonie, krijgen ze opeens concurrentie van de veel jongere Truida Everts, die de schrijver zes jaar lang hartstochtelijk zal beminnen in zijn houten hut. Maar zodra Truida een scheiding heeft afgedwongen en zich zijn nieuwe echtgenote mag noemen, wordt Van Eeden tot over zijn oren verliefd op Ella Geldmacher. De Duitse is gelukkig getrouwd, maar dat weerhoudt de romantische schrijver er niet van zich te verliezen in een platonische verliefdheid waar hij jarenlang mee zal dwepen. (p. 43)

Tja… Over de naweeën van de spoorwegstaking in 1903 schrijft Bokern:

Een inderhaast opgericht Comité van Verweer bereidt een nieuwe staking voor. Frederik van Eeden sluit zich aan. Opeens heeft de imitatio christi een nieuwe missie: bij onrecht dient er gestreden te worden! De schrijver wordt stakingsleider in Amersfoort. Dagen achter elkaar gaat hij ‘zijn’ stakers voor als ze in optocht door de stad trekken. Hij zal het later met veel pathos boekstaven als ‘een grootsche ervaring, heerlijk en smartelijk’. Van Eeden is euforisch. Jarenlang is hij verguisd en bespot door de socialisten. De SDAP en de vakbonden willen het lot van de arbeider verbeteren door het systeem te veranderen, een kolonie als Walden zien ze als een vlucht uit de werkelijkheid. Nu is de schrijver opeens toegelaten tot de rode familie, en meteen tot de hoogste rangen: hij trekt samen op met socialistenvoorman Willem Vliegen, vakbonds­paus Henri Polak en opperanarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. (p. 50)

In de ogen van Bokern kan Van Eeden niet veel goed doen. ‘In januari 1904 bezoekt hij [FvE] hippiekolonie Monte Verità. […] Zijn kritiek in zijn eigen weekkrant De Pionier is vernietigend. De kolonisten in Ascona gaan net zo gekleed als de Blaricumse christenanarchisten. Dat werkt “hoogst gevaarlijk” op “het zedelijk evenwicht”, vindt hij, en het verdient “terechte bespotting”.’ (p. 54). Van Eeden: ‘Rond te loopen met haren van eene halve meter lang, en bloote voeten, zooals sommige inwoners van Monte-Verita, is een buiten­sporigheid, waarop de terugslag niet kan uitblijven.’ (p. 54). Bokern: ‘Dan Nico van Suchtelen. Hij vindt op Monte Verità juist de woorden om zijn smartelijk zoeken te verwerken tot een roman.’ Dat wordt Quia absurdum.

Etiket voor honing van Walden
In 1909 publiceert Van Eeden De idealisten, het derde toneelstuk over verloren geraak­te kolonisten. Het vernietigende verslag dat hij in De Pionier heeft gepubliceerd over zijn ervaringen met Monte Verità diende als uitgangspunt. Frank Bokern beschrijft uitgebreid dat er van het optimistische wereldbeeld van voorheen (De blijde wereld, 1903) niets meer over is. Bokern citeert Van Eeden: ‘Een mensch zonder zelfzucht is een even weerzinwekkend monster als een mensch zonder naastenliefde. De eerste eisch van ons menschelijk leven is dat wij ons handhaven.’ (p. 96). Waarna Bokern beschrijft dat Frederik van Eeden in 1909 naar de VS reist en hij ‘verkeert daar uitsluitend nog in de kringen van de elite’. Al in 1909 opent de Cooperative Company of America, oftewel de Van Eeden Colony.

Frappant is dat nog in 1939 de kolonie nieuw leven wordt ingeblazen: de ondernemer MacRae koopt de grond en de gebouwen terug en brengt er Joodse gezinnen onder die zijn gevlucht voor de nazi’s. En zo is uiteindelijk één kolonie van Frederik van Eeden toch nog een beetje geslaagd…

Bakkers en broodbezorgers van de bakkerij van Walden, ca. 1905
Tot slot schenkt Frank Bokern dan ook nog enige aandacht aan Forte Kreis en aan Van Eedens Lichtstad-project. Maar in vergelijking met de soms gloedvolle beschrijvingen die hij geeft van andere (Nederlandse) ‘wereldverbeteraars’ komt Van Eeden er bij hem maar bekaaid vanaf. Ook in een zin als de nu volgende lees ik toch heel wat ironie: ‘Ook de Bussumse goeroe Frederik van Eeden dweepte met Blavatsky, hij heeft zelfs ooit in een diepgaand gesprek ideeën met haar uitgewisseld. De verheven levensvisie die daaruit is voortgekomen heeft hem ertoe gebracht zichzelf te zien als een imitatio christi.’ (p. 254).

Frank Bokern, De eerste hippies. Bloemenkinderen van het fin de siècle, Amsterdam: Uitgeverij Van Oorschot, 2024.

Roel Jonker

Loading

De geestelijke wereld van de droom

Van Eeden over dromen

Frederik van Eeden (1860–1932) is één van de grote figuren van onze cultuur- en geestesgeschiedenis. Schrijver van literaire werken van blijvende waarde ─ we noemen slechts Van de koele meren des doods (1900) en Het lied van schijn en wezen (1895–1922) – maar tevens begaafd psychiater en bewogen sociaal hervormer. Van Eeden, naar een woord van Rümke een man van bijna geniale intelligentie, was begiftigd met een rijke en creatieve geest, een fijn bewerktuigd gevoelsleven, en het mag dan ook geen verwondering wekken dat hij een rijk droomleven kende; in zijn dagboeken, één van de redenen waarom lezing hiervan zo boeiend is, vinden we menige droombeschrijving. In deze bijdrage willen we een indruk geven van de ideeën van Van Eeden over het fenomeen van de droom zoals hij deze heeft ontvouwd in een voordracht voor de Society for Psychical Research te Londen op 22 april 1913. Evenals Freud in zijn Traumdeutung (1900) nam hij zijn eigen dromen als materiaal, waarvan hij sinds 1896 ruim vijfhonderd verzameld en bestudeerd had. Van deze voordracht verscheen in 1956 bij uitgeverij De Driehoek een Nederlandse vertaling: Over dromen.

Voor de benadering van deze geheim­zinnige wereld die ons leidt tot aan de grenzen van de exacte wetenschap en ons voert in de gevaarlijke nabijheid van metafysische speculatieve stelsels en godsgeloof behoeven wij, zo hield hij zijn gehoor voor, niet alleen de zuiver wetenschappelijke doch ook de dichterlijke instelling:

In dit terrein moeten de pioniers òf dichterlijke wetenschapsmensen zijn òf wetenschappelijke dichters zijn; want het is de dichter ─ als wij tenminste dit woord in zijn hoogste en diepste betekenis opvatten ─ wiens natuurlijke hartstocht het is de uiterste regionen der menselijke ziel te onderzoeken en wiens voortdurend streven het zal zijn nieuwe geestelijke waarden te scheppen en hiervoor de juiste uitdrukking te vinden. (9)

Frederik van Eeden in 1907
Vóór hij tot eigen nadere begrips­bepaling kwam, ging hij in op de opvattingen van vooraanstaande droomonderzoekers als Freud en Havelock Ellis. Naar Freuds gevoelen, zo vatte hij samen, is de droom de symbolisch uitgedrukte wens of het verlangen van het onderbewuste deel van de mens en is zij gewoonlijk erotisch van karakter, een theorie die Havelock Ellis weliswaar van grote waarde acht maar voor hem toch niet de sleutel is die alle deuren kan openen. Voor hem, zo schrijft Van Eeden, is het de ‘psychische ontbinding’ die het voornaamste kenmerk van de droom is

en alle dromen kunnen worden teruggebracht tot het natuurlijke en onophoudelijke streven van den menselijken geest om te raisoneren en te verklaren, zelfs in een toestand van ontbinding. Hij veronderstelt, dat de hersenen in den slaap blijven doorgaan met het ontvangen van indrukken der verschillende inwendige organen… In hun staat van geestelijke ontbinding trachten zij een min of meer redelijke orde te scheppen in deze gevoelens door allerhande eigenaardige en min of meer onwaarschijnlijke feiten te bedenken, die zij aanzien voor werkelijkheid en die aansprakelijk zijn voor de verwarde indrukken die zij ontvangen. (11)

Deze theorieën konden Van Eeden niet voldoen. Hij was afkerig van de grote plaats die Freud aan de seksualiteit en het onbewuste toeschreef; het onbewuste waartoe, zo schrijft Freuds biograaf Jones, de koninklijke weg van de droomanalyse voert. Voor de idealist Van Eeden had dit onbewuste niets met de geest, de ziel te maken: Für mich giebt es kein anderes Seelisches als was man bewusst ist, zo schreef hij aan Freud, die hij persoonlijk overigens hoogachtte en bij wie hij in 1913 enkele dagen in de sfeer van zijn als lief en beschaafd omschreven gezin had vertoefd. Evenmin kon Van Eeden, al waardeerde hij de vernuftige en duidelijke verdediging ervan, zich vinden in de fysiologische droomanalyse van Havelock Ellis.

Tegenover beide droomonderzoekers ─ en hiermee raken we de kern van Van Eedens droomtheorie ─ stelde hij de suprematie van de geest: dromen zijn zuiver psychische verschijnselen, al houden zij natuurlijk verband met wat hij noemde het physische lijf. De meest karakteristieke trek van de droom echter is het niet-ruimtelijke in overdrachtelijke betekenis en

alle onmiddellijke verband tussen den geest met zijn niet-ruimtelijke dingen en het lijf met zijn zaken die kunnen worden uitgedrukt in ruimtelijke termen wordt verbroken gedurende slaap en droom… Als slaap en droom beginnen is elk onmiddellijk lichamelijk verband afgesneden. Dit is het wezenlijke en karakteristieke kenmerk. (13)

Fotoportret van Sigmund Freud, aanwezig in de collectie van het Frederik van Eeden-Genootschap
Weer zien we hier een verschil met Freud. Voor deze immers bleef er verband bestaan tussen slaap en droom en fungeerde de droom als behoeder van de slaap voor zover deze door prikkels van buitenaf of binnenuit verstoord dreigde te worden. Een zelfstandig bestaan van de geest, los van tijd en ruimte, was voor Freud ondenkbaar, fysieke processen moeten aan de psychische voorafgaan, alles in de geest vindt zijn oorzaak in een fysieke prikkel. Het wezen van de aan ruimte en tijd onttrokken droomwereld, geheel buiten de empirische en zintuiglijke werkelijk­heid, vatte Van Eeden als volgt samen:

De droom is een meer of minder volledige reïntegratie van de ziel, een reïntegratie in een andere sfeer, in een psychische, niet-ruimtelijke vorm van bestaan. Deze reïntegratie kan zo ver gaan, dat zij een volle­dige herinnering aan het waakleven verwekt, een overleggen en een vrijwillig handelen na overleg. (17)

Van Eeden liet het niet bij een algemene inleiding tot zijn droomtheorie, maar illustreerde deze aan de hand van een rondgang langs de ongeveer vijfhonderd dromen die door hem sinds 1896 genoteerd en bestudeerd waren en die hij nu in een tabel in negen typen had geclassificeerd: A: gewone droom, B: zeer levendige dromen, C: symbolische of spotdromen, D: algemene droom­sensatie, E: heldere dromen, F: demonendromen, G: verkeerd ontwaken (phantasma), H: inleidende dromen, I: pathologische dromen (koorts, vergif, indigestie). Van elk droomtype was hij daarbij nagegaan: algemeen karakter, tijdstip, lichamelijke conditie, besef van dagleven in droom, herinnering bij ontwaken, voorkomen, nawerking. In deze classificatie, al heeft zij betrekking op het voor de ratio zo moeilijk toegankelijk gebied van de droom, toont zich voluit de man van wetenschap waarvan de gepromoveerde arts Van Eeden natuurlijk de wetten kende.

Aan de hand van deze tabel gaf Van Eeden een kort overzicht van deze droom­soorten, die hij met voorbeelden illustreerde, aangevuld met bijzonder­heden van de meest belangwekkende en gewichtige vormen. Elk van deze droomsoorten geeft een boeiend inzicht in Van Eedens dromenlandschap, maar aan twee ervan willen we bijzondere aandacht geven. De eerste zijn de symbolische of spotdromen, waarvan het karakteristieke element het demonische is: ‘Ik noem die verschijnselen demonisch, die bij ons den indruk wekken dat zij zijn uitgevonden of te voorschijn geroepen door intelligente wezens van een zeer laag-zedelijke orde’ (20). Tot deze soort behoorde naar Van Eedens gevoelen de grote meerderheid van de dromen die waren geanalyseerd door Freud en de zijnen, van wie hij het overigens stoutmoedig noemde het ‘symbolisme’ der dromen in de wetenschappelijke wereld binnen te hebben geleid. In dit verband verzette hij zich tegen het bestaan van het onderbewuste, voor hem een even geheimzinnig en onwetenschappelijk woord als occult of demon, en in zijn ogen was het

alleen juist te zeggen, dat wij in onzen droom beelden zien en gebeur­tenissen ondergaan, waarvoor onze eigen geest – onze ‘persoonlijkheid’, zoals wij ons deze herinneren – niet verantwoordelijk gesteld kan worden en die derhalve uit onbekende bron zijn opgeweld. (21)

Voor Van Eeden bestond er dus een eigen geestelijke of bovenzinnelijke wereld die niet tot de geest van de mens zelf herleid kan worden maar waartoe wij wel toegang hebben, misschien beter gezegd waartoe ons, van gene zijde, toegang verleend wordt.

De belangrijkste dromen waren die welke hij onder klasse E had gerangschikt en die hij typeerde als heldere dromen, waarvan hij er tussen 20 januari 1898 en 26 december 1912 352 had gehad en bestudeerd en waarover hij vaststelde:

In deze dromen is de reïntegratie der psychische functies zo volledig, dat de slapende zich zowel het waakleven als zijn eigen (ogenblikkelijken) toestand herinnert, dat hij een staat van volkomen bewustzijn bereikt en in de mogelijkheid verkeert zijn aandacht richting te geven en verschil­lende willekeurige handelingen te verrichten. En toch is de slaap, zoals ik met stelligheid kan vaststellen, ongestoord, diep en verkwikkend. (22)

Evenals de demonische dromen zijn ook de heldere dromen symbolisch, maar in deze laatste, in tegenstelling tot de eerste, is nooit iets merkbaar van seksualiteit of erotiek. Hun symboliek is verheven en sereen en

neemt den vorm aan van fraaie landschappen, licht uitstralende verschijnselen, zonlicht, wolken en vooral een diep-blauwen hemel. In het beste, volledigste voorbeeld van den helderen droom zweef ik over ontzaglijk wijde landschappen met helder blauwen, zonnigen hemel en met een gevoel van grote zaligheid en dankbaarheid, dat ik moet uiten door welsprekende woorden van erkentelijkheid en vroomheid. (25)

Aan dromen als deze moet Van Eeden hebben gedacht toen hij schreef dat dit droomleven hem in dagen van zware spanning had gespaard voor het verliezen van zijn geestelijk evenwicht. De rijke droomwereld van Van Eeden, die hij literair prachtig vorm heeft gegeven in De nachtbruid (1909), zal slechts weinigen van ons beschoren zijn en niet een ieder zal zijn droomideeën onderschrijven, maar ook hier zien wij de arts en dichter die naar Freuds woord in het Liber amicorum (1930) ‘soviel von den Geheimnissen des verborgenen Seelenlebens vorausgeahnt [hat]’. De idealist voor wie de ziel het centrum van de mens is.

O.W. Dubois
Met toestemming overgenomen uit In de Waagschaal 54 (2025), 26 juli 2025, p. 55–58.

Gebruikte literatuur

  • J. Fontijn, Trots verbrijzeld. Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, Amsterdam 1996.
  • E. Jones, Sigmund Freud’s leven en werk. De jaren van vorming en de grote ontdekkingen (1856–1900), Amsterdam 1956.
  • H.C. Rümke, Over Frederik van Eeden’s Van de koele meren des doods, Amsterdam 1964.
  • Zie ook de lemmata over droom en Freud in de Grote Winkler Prins.

Loading

Bijzondere uitgave ‘De waterlelie’

Ambachtelijk drukker Bert Rigters heeft voor Stichting Frederik van Eeden Genootschap een bijzonder kleinood vervaardigd: een uitgave van ‘De waterlelie’.

Bert Rigters is eigenaar van de private press B//pressed. Hij drukte Van Eedens beroemde gedicht met lijntekeningen in meerdere kleuren en met goudfolie uit de Bodoni op een vouwkaart van Canson Mi Teinte 160 grams ciel gris.

Het drukwerkje wordt toegestuurd aan vrienden van de stichting. U wordt vriend door overmaking van een donatie van minimaal € 20,00. Zie verder de pagina Steun ons of mail naar info@frederikvaneedengenootschap.nl.

De uitgave is ook los verkrijgbaar, bij Het Feest der Poëzie. De prijs bedraagt € 7,50.

De QR-code op de uitgave brengt u naar een historische toonzetting van het gedicht, geproduceerd door Het Feest der Poëzie en uitgevoerd door sopraan Anna Majchrzak en pianist Daan van de Velde.

Loading

‘Goud bestipt als een omheuveld meer’

Aandacht voor Adriaan van Oordt

In de eerste aflevering van 2025 van De Parelduiker schetst Marco Daane het leven van Adriaan van Oordt (1865–1910). Van Oordt stond in zijn tijd onder collega-schrijvers bekend als een groot talent. Hij gaf rond de eeuwwisse­ling een nieuwe impuls aan de historische roman en gold als baanbreker van de neoromantiek. Maar hij was ook betrokken bij de oprichting van Frederik van Eedens kolonie Walden in Bussum. Naast een enkele naar hem genoemde straatnaam is in Bussum nog de enige herinnering aan zijn persoon te vinden.

Adriaan van Oordt (1865–1910)
Het contact met Van Eeden komt tot stand als Van Oordt hem in juni 1896 benadert nadat enkele uitgeverijen zijn eerste roman Irmenlo hebben geweigerd. Van Eeden is positief over deze historische roman en kwam er in een droom een zin uit tegen. In zijn dagboek schrijft hij op 20 juni 1896: ‘’s Nachts werd die zin tegen mij gezegd: “goud bestipt als een omheuveld meer” en dat was mij iets zeer bijzonders.’ Van Eeden concludeert dan dat er ‘een mystiek verband’ bestond tussen zijn eigen werk en Van Oordts roman. Van Oordt gaat op bezoek bij Van Eeden, er komt een vriendschap tot stand en Van Eeden regelt dat zijn uitgever Versluys Irmenlo uitgeeft, verzorgd door Van Eeden én met een inleiding van zijn hand.

Mooi is te lezen hoe Daane beschrijft dat Van Oordt de scènes van zijn historische roman in beelden voor zich wil zien. Hij stuurt de firma Palthe allerlei afgedragen kledingstukken en diverse lapjes in mooie kleuren met de opdracht de kleding te verven, maar Palthe stuurt de rommel van deze gek terug. Na een toelichting van Van Oordt voeren ze alsnog de opdracht uit. In het belang van de literatuur nodigt Van Oordt vervolgens enkele vrienden uit in deze kledij door het bos te kuieren, ook Van Eeden deed eens mee aan zo’n verkleedpartij in gewaden uit de dertiende eeuw ‘ten behoeve van Adriaan Van Oordts zintuiglijke voorbereidingen’.

De vriendschap tussen Van Eeden en Van Oordt leidt ertoe dat de laatste Van Eeden helpt met allerlei praktische zaken rond de start van Walden, zoals de grondaankoop. En Van Oordt geeft aan dat hij met Mary Suermondt in Walden wil komen wonen. Van Eeden over Van Oordt: ‘Hij is een van de zuiverste en beminnelijkste menschen, die ik in mijn leven ontmoet heb.’ Van Oordt koopt echter zelf een stukje grond buiten het eigenlijke kolonieterrein aan de overzijde van de Nieuwe ’s-Gravelandseweg. Vanaf dat moment ontstaan tussen de individualistische Van Oordt en Van Eeden wat kleine en grotere conflicten. Als Van Oordt en Mary dan ook nog zonder Van Eeden daarvan op de hoogte te stellen in 1890 in Engeland trouwen, noteert de laatste in zijn dagboek: ‘Verdriet om het wantrouwen van Van Oordt.’ Het echtpaar Van Oordt breekt met Van Eeden, stapt uit Walden, maar blijft wel in de hut wonen nabij Walden.

Grafsteen van Adriaan van Oordt in Bussum. Foto: Mschapink, Wikimedia Commons.
Daane behandelt vervolgens nog enkele werken van Van Oordt, door vrienden als Herman Robbers en Frans Coenen positief besproken. Maar vanaf 1905 krijgt Van Oordt hartklachten, later ook een hevige longontsteking, terwijl hij met zijn gezin leeft in de hut, die ongeschikt is voor iemand in zijn conditie. Op 20 september 1910 vermeldt Van Eeden in zijn dagboek: ‘Van Oordt is stervende. De droefheid van onze verwijdering en misverstanden is nu niet meer voor me wat het vroeger zou geweest zijn. Alles omdat ik nu beter het blijvende en eeuwige besef. Ook de luguberheid van zijn sterfbed, daar in de hut, met vrouw en jonge kinderen. Ik weet nu te goed hoe dit alles vereffend en gecompenseerd zal worden.’ Op 9 oktober 1910 sterft Adriaan van Oordt.

Vrienden en collega’s bekostigen een zandstenen grafmonument, dat op 8 oktober 1911 op de begraafplaats te Bussum onthuld wordt. Toevallig – of niet toevallig – bevond Frederik van Eeden zich op die dag ook op de begraafplaats, blijkens een aantekening in zijn dagboek. Een eerbetoon voor het werk van Adriaan van Oordt, dat hij altijd los had willen zien van de persoon? Van een graf van Van Oordt is momenteel geen spoor meer, het enige wat in Bussum nog aan hem herinnert is het grafmonument.

Marco Daane, ‘Niets te gering en niets te hoog. Leven, werken en vergetelheid van Adriaan van Oordt’, De Parelduiker 30 (2025), nr. 1.

Roel Jonker

Loading

Vrouw op de literaire markt

Else Otten, propagandiste van Nederlandse literatuur in Duitsland

Else Otten, gefotografeerd door de Berlijnse fotografe Siri Fischer-Schnéevoigt.

In 2021 ontving het Allard Pierson een kleine verzameling documenten van en over de vertaalster Else Otten. Weinigen zullen haar naam nog kennen, zoals ook veel van de door haar vertaalde schrijvers in vergetel­heid zijn geraakt. Toch is zij van grote betekenis geweest voor de ver­sprei­ding van Nederlandse literatuur in Duitstalige landen. Ook om haar onafhankelijke levensstijl verdient ze het gememoreerd te worden.

Volledig miskend is Else Otten ove­rigens ook weer niet. Weliswaar is er nergens in Nederland een Else Ottenstraat te vinden, maar een Else Ottenprijs bestaat wel. Sinds 1999 wordt die tweejaarlijks toegekend aan de beste Duitse vertaling van een oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk. Ook heeft Otten zich een plaats verworven in het Digitaal vrouwenlexicon van Nederland.

‘Een mondaine societyfiguur’

Elisabeth Otten, zoals Else voluit heette, werd op 27 oktober 1873 geboren in Amsterdam als dochter van een Nederlandse arts en diens derde echt­geno­te, die uit Duitsland kwam. Else zal tweetalig zijn grootgebracht. Het gezin waartoe zij behoorde, woonde vanaf haar negende in verschillende plaatsen in Zwitserland en Duitsland, om uiteindelijk neer te strijken in Berlijn. In 1895 publiceerde Otten haar eerste vertaling. Van literair vertalen maakte ze haar beroep, waarbij zij primair koos voor vertaling van Nederlandse auteurs naar het Duits.

Else Otten, hier in conventionele kledij. Prentbriefkaart voor promotiedoeleinden. Fotograaf onbekend.
Else Otten ging proactief te werk, door op eigen initiatief een roman of novelle te vertalen en pas daarna de vertaling aan te bieden aan een tijdschrift of uitgever. Het kwam voor dat haar vertalingen jarenlang op de plank bleven liggen, maar toch was haar aanpak succesvol. Om de produc­tie te verhogen nam zij secretaresses in dienst aan wie zij al lezend en simultaan vertalend de Duitse tekst dicteerde. Haar medewerksters noteerden de tekst in steno en typten die naderhand uit. De vertaling werd pas bijgeschaafd nadat er een uitgever voor gevonden was.

Vanaf ongeveer 1910 had Else Otten in Berlijn een eigen kantoor met werk­nemers. Daarnaast trad zij op als zangeres. Gezien haar inspanningen om het werk van ‘haar’ auteurs te promoten, mag ze gelden als literair agente avant la lettre. Dit zelfstandig ondernemerschap maakte haar financieel onafhankelijk, al bleef het genereren van voldoende inkomsten een permanent en moeizaam gevecht. In een tijd waarin vrouwen hun hand moesten ophouden bij hun vader of echtgenoot, liep Otten uit de pas. Ook in haar partnerkeuze maakte Else zich niet afhankelijk van een man. Sinds 1911 had zij een relatie met de Duitse zangeres en schrijfster Helene Siegfried-Aichele (1867–1966).

Else was ‘een mondaine societyfiguur’, aldus Lisa Kuitert in het Digitaal vrouwenlexicon van Nederland. Ze nam in Berlijn met graagte deel aan het uitgaansleven, frequenteerde het befaamde Romanisches Café en gaf feesten voor de lokale jetset. Gekleed in mannenkostuums was zijzelf een opvallende verschijning. Een journalist die haar in 1909 interviewde voor het Algemeen Handelsblad maakte gewag van ‘sportblouses met boord, das en manchetten’. Enkele bewaard gebleven foto’s bevestigen zijn waarneming.

‘Onvermoeid maar roekeloos’

Uitgaansleven of niet, de productie van Else Otten was groot. Rond 1911 had ze zo’n vijftig romans, twintig toneelstukken en anderhalf duizend artikelen voor kranten en tijdschriften vertaald en uitgegeven gekregen. Van de ettelijke door haar vertaalde auteurs zijn velen nu vergeten. Wie kent – laat staan leest – nog M.G.L. van Loghem, W.G. van Nouhuys of J.A. Simons-Mees? Anders ligt dat wellicht voor Herman Heijermans, en zeker voor Louis Couperus. Van hem vertaalde Otten het meest: een lange rij romans en novelles, beginnend met Majestät (1895) en eindigend met Heliogabal (1928), oorspronkelijk verschenen als De berg van licht.

Die Nachtbraut, Roman von Frederik van Eeden, Deutsch von Else Otten, Berlin, Concordia Verlags-Anstalt, 1909. Bandontwerp van Oskar Theuer.
Een goede tweede is Frederik van Eeden. Van hem vertaalde Else uiteraard De kleine Johannes, de sprookjesroman waarmee hij naam gemaakt had. Later kwamen de romans Van de koele meren des doods en De nachtbruid en de toneelstukken IJsbrand en Lioba aan de beurt. Naast literair werk vertaalde Otten bovendien enkele pamfletten die Van Eeden – zelfbe­noemd wereldverbeteraar – geschreven had. Hun titels (bijvoor­beeld Die freudige Welt. Betrachtungen über den Menschen und die Gesamtheit Aller) klinken in het Duits nog net iets dikker dan in het Nederlands.

Uit zijn dagboeken weten we dat Van Eeden en Otten elkaar af en toe ontmoetten in Bussum, Berlijn of elders. Tijdens die samenkomsten en in brieven maakten ze plannen voor nieuwe uitgaven en vertalingen. In 1905 schrijft Van Eeden dat Else hem ‘zeer lief’ geworden is. Later heeft hij nog steeds waardering voor haar inzet, maar vindt hij haar ook verkwistend: ‘Else is onvermoeid in haar propaganda, en doet verbazend veel voor de zaak, maar soms is ze ook roekeloos, vooral met geld dat ze op noodelooze manier wegsmijt.’ Daar komt natuurlijk wrijving van. In 1910 heet het dat Else hem financieel ‘beet tracht te nemen’ omdat ze schulden zou hebben, veroorzaakt door haar ‘weelderige gewoonten’. En dan is algauw de boot aan: ‘Vanmiddag een paar zeer onaangename brieven. Else die mij door haar advocaat laat beleedigen – want zulke zakenbrieven, op zulk een toon, zijn voor mij hevige beleedigingen.’

Juist vanwege haar (soms moeizame) samenwerking met Frederik van Eeden is het verworven archiefje over Else Otten van betekenis voor het Allard Pierson, dat al sinds jaar en dag Van Eedens literaire nalatenschap beheert. Otten duikt daarin her en der op, echter zonder dat heel duidelijk wordt dat de internationale invloed die Van Eeden ontegenzeggelijk heeft gehad vast heel wat kleiner was geweest als zij hem niet in Duitsland had geplugd. De aanwinst geeft Else Otten nu een eigen stem naast die van Frederik van Eeden.

‘Eine arge, arge Situation’

In 1930 ging Else Otten naar Parijs om daar in opdracht van een Duitse industrieel toonaangevende figuren uit de wereld van kunst en cultuur te interviewen. Zij werd vergezeld door een Weense architectuurstudente, Leopoldine Schrom (1900–1984). Poldi, zoals zij genoemd werd, fungeerde als Elses secretaresse: ze typte de interviews uit en verzorgde de uitgaande correspondentie. Ongetwijfeld dicteerde Else in beide gevallen de tekst, zoals zij dat immers gewend was. Deze werkwijze was nu echter ook noodzakelijk omdat Else leed aan een slepende ziekte, die haar uitputte en veel pijn bezorgde.

Brief van Else Otten aan de schrijver André Doderet, 4 december 1930. Waarschijnlijk heeft Else deze kladversie gedicteerd aan Poldi en vervolgens zelf correcties in handschrift toegevoegd. ‘Beste meneer Doderet, op de dag dat u zo vriendelijk was mij uw manuscript te sturen, ben ik zwaar ziek geworden. Om die reden heb ik u nog niet kunnen schrijven. Mijn excuses daarvoor, maar wat kan men doen tegenover overmacht?’.
Het archiefje waar het Allard Pierson zich nu over ontfermd heeft, werd aangelegd door Poldi. De stukken stammen merendeels uit de maanden waarin Else en Poldi in Parijs verbleven. Hoofd­bestanddelen zijn aantekeningen, deels in steno, en uitwerkingen van de interviews en doorslagen van uitgaande brieven. Onder de geïnter­viewden bevinden zich veel beeldend kunstenaars, vaak afkomstig van buiten Frankrijk, die voor kortere of langere tijd domicilie houden in Parijs. De bekendste zijn wel Alexander Calder en Tsuguharu Foujita. Maar Otten gaat ook langs bij de vrouwen­rechten­activiste en politica Suzanne Crémieux en schrijvende celebrities als Marie de Rohan-Chabot, beter bekend als princesse Lucien Murat, en Majuska Török de Szendrő alias Djavidan Hanem, echtgenote van de laatste onderkoning van Egypte. Haar verslagen van de ontmoetingen hebben een toonzetting waarvoor een Ivo Niehe zich niet zou hoeven schamen.

Heel anders van toon en inhoud zijn de brieven die Otten verstuurt. Deze geven een indringend beeld van de invaliditeit waarmee zij te kampen heeft als gevolg van tuberculose aan de ruggengraat in een vergevorderd stadium. Doordat pas laat een correcte diagnose wordt gesteld, staat haar een zware, uiterst onaangename behandeling te wachten, die ze in Düsseldorf wil laten uitvoeren. Ze neemt enkele intimi hierover in vertrouwen in brieven waarin boosheid, angst en wanhoop elkaar afwisselen. Tegelijkertijd zijn er nog allerlei zaken te regelen, is er geldnood en zijn er relatieperikelen. Tot enkele dagen voor haar dood blijft Else corresponderen. ‘Ich liege hier in einer argen, argen Situation’, schrijft zij op 7 januari 1931 vanuit het Evangelisches Krankenhaus in Düsseldorf. Daar overlijdt zij, 57 jaar oud, op 22 januari 1931.

Na de dood van Else Otten ging Leopoldine Schrom terug naar Wenen, waar ze medewerkster werd van het befaamde architectenbureau Singer & Dicker. Vanaf 1934 zette zij dat bedrijf zelfstandig voort, waarmee ze in zekere zin het voorbeeld van Else volgde. Het door haar aangelegde archiefje werd aan het Allard Pierson geschonken door Poldi’s tantezegger Georg Schrom dankzij vriendelijke bemiddeling van Pieternel Vlasblom-Dorgelo.

Klaas van der Hoek
Eerder gepubliceerd in Allard Pierson Magazine, nr. 128 (najaar 2023).

Literatuur

  • Jaap Grave, ‘Else Otten: vertaler in een “fieberhaft hastenden Zeit”’, Jaarboek Letterkundig Museum 6, Den Haag 1997, p. 1–21
  • Jaap Grave, Zulk vertalen is een werk van liefde. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland 1890–1914, Nijmegen 2001
  • Lisa Kuitert, ‘Otten, Elisabeth’, in: Digitaal vrouwenlexicon van Nederland

Loading

‘De grote dag dat Van Eeden kwam’

In zijn onlangs verschenen biografie Weerloos tegenover alles. Het leven van Victor E. van Vriesland (Amsterdam/ Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2023) schenkt Rob Groenewegen ook aandacht aan Frederik van Eeden.

Groenewegen schetst hoe moeilijk Van Vriesland tot het schrijven van literair werk kwam, hoe gemakkelijk hij in de omgang was, dat hij kon beschikken over een groot netwerk van literatoren en andere kunstenaars, met wie hij nacht na nacht doorhaalde met behulp van grote hoeveelheden drank. Vic was een man van de wereld, een man van veel vrouwen, een man van talloze jury’s en bestuursfuncties, een man van veel feesten en alcohol, maar een man die moeizaam tot schrijven kwam: de Verzamelde gedichten van Vic, die zich in wezen dichter voelde, telt 300 pagina’s, vertalingen inbegrepen.

In de biografie lezen we hoe de aanvankelijke bewondering voor Frederik van Eeden van de 32 jaar jongere Van Vriesland (geboren in 1892) uiteindelijk eindigt in een conflict tussen beide auteurs. Vics aanvankelijke bewondering voor Van Eeden nam gaandeweg af. Groenewegen: ‘Zo was hij zeer enthousiast geweest over de tekst van Frederik van Eedens toneelstuk Lioba (1897). Maar nadat Dèr Mouw zijn geestdrift had getemperd door hem lachend te wijzen “op allerlei regels, die belachelijk werden door woorden, die uit de toon vielen”, verklaarde Vic zich niet meer te kunnen herinneren dat hij Lioba zo mooi had gevonden.’ (p. 85). Natuurlijk zegt dit ook veel over het selectieve geheugen van Van Vriesland.

Omstreeks 1915 huurde de familie Van Vriesland in Bloemendaal ‘Villa Ilonka’, in eigendom van de Hongaarse Giza Ritschl. Ritschl verkreeg enige bekendheid met haar poëzie; na de bemoeienis van Van Eeden, die haar werk bewonderde, verscheen in 1901 haar debuutbundel Verzen. Als Ritschl aankondigt samen met Van Eeden bij de Van Vrieslands te komen koffie­drinken, noteert Vic (Herinneringen, p. 148–149): ‘Ik was helemaal door het dolle heen, de grote dag dat Van Eeden kwam (…) Ik keek erg tegen die man op.’ Maar Vics geloof in Van Eeden sloeg om in ongeloof toen hun contact zich begon te verdiepen. Aan zijn waardering voor de mens Van Eeden begon de twijfel uiteindelijk te knagen (Herinneringen, p. 150):

Toen kwam Van Eeden af en toe bij me logeren. Toen kreeg ik al een beetje een onprettig gevoel over deze man, omdat hij, ja, hij kwam bijvoorbeeld altijd lezingen houden over zeer verheven onderwerpen zoals geheelonthouding (…) en beter leven en ethische zaken. Maar intussen ging hij, voordat hij die lezing hield, met mij in de stad ongelooflijk zwaar en goed dineren, was daarbij geen vegetariër, dronk een halve fles wijn op, matig hoor, maar toch wel graag. En dat klopte niet, en als ik dan heel schuchter iets zei, niet ironisch of zo, maar uit de volheid van mijn bewondering, dan zei hij: ‘Ja, dat doe ik om mijn wil te stalen. Ik moet het kennen om de verleiding te weerstaan.’

Dat was in 1917. Twee jaar later, na de dood van Dèr Mouw, raakten ze verwikkeld in een hevig conflict. Dat speelde om de postume uitgave van Brahman I van Adwaita / Dèr Mouw. Van Eeden wilde de bundel van een voorwoord van zijn hand voorzien, Van Vriesland torpedeerde dat plan, indachtig de wens van Dèr Mouw: de bundel moest zonder enige denkbare steun zijn weg naar de lezers vinden. De auteursrechten waren op 21 september 1919 in handen van Van Vriesland gekomen. Dat gaf al wrijving. Daarnaast werd vastgelegd dat Van Eeden niet voor het verschijnen van de bundel over de inhoud in De Groene zou schrijven. Op 18 juli 1919 herinnerde Vic hier Van Eeden op niet echt subtiele wijze in een brief aan.

Dat schoot bij Van Eeden in het verkeerde keelgat, hij schreef onmiddellijk een pinnige brief terug, maar hij bleek dan ook in het nauw gedreven: nog voor de publicatie van Brahman I verscheen in De Groene al een herden­kings­artikel waarin één vers uit de bundel was afgedrukt. En dan ook nog met zet- dan wel kopieerfouten. Vic sommeerde Van Eeden schriftelijk hiermee te stoppen, stuurde ook nog een telegram naar de redactie van De Groene en volgens Van Vriesland volgde er toen nog ‘een oneindig giftige brief’ van Van Eeden aan hem. Maar Van Eeden zweeg wel enkele maanden in De Groene over Dèr Mouw. ‘Tussen hem en Vic kwam het nooit meer goed.’ (p. 188–191).

Terwijl de heren jarenlang een goed contact hadden (p. 157):

In een poging zich maatschappelijk te positioneren (…) ging Vic op zoek naar een baantje, een net baantje, waarmee hij voor de dag kon komen. Op aanraden van Van Eeden of van De Haan solliciteerde hij naar de functie van secretaris bij de Nederlandse Signifische Kring. (…) Vic werd afgewezen. Rouwig was hij er niet om. Het leven van bohemien met een goed gevulde portemonnee beviel hem goed.

Roel Jonker

Loading

Van Eedens veldkijker en zakhorloge

De collectie van het Frederik van Eeden-Genootschap bestaat voor het grootste gedeelte uit ‘plat materiaal’: papieren documenten. Toch telt de collectie ook verschillende objecten, waaronder penningen, insignes, schilderijen en Van Eedens rozenkrans. Aan deze realia werden de afgelopen jaren twee gebruiksvoorwerpen toegevoegd. Op zichzelf genomen zijn het geen opmerkelijke dingen: je komt vergelijkbare exemplaren tegen op bijvoorbeeld Marktplaats en Catawiki. Maar deze beide voorwerpen zijn toch maar mooi wél van Frederik van Eeden geweest. Ze maken hem bij wijze van spreken tastbaarder.

Uit zijn dagboeken weten we dat Frederik van jongs af aan graag de natuur in ging, waar hij tot rust kwam, inspiratie opdeed voor zijn gedichten, tekende en vogels spotte. Zo schreef hij op 24 april 1897 over een wandeling met de natuurbeschermers E. Heimans en Jac. P. Thijsse: ‘Ik had mij er op verheugd en het was ook net zoo prettig. Het rustgevende van die gezonde, kinderlijke belangstelling, en dat oude jeugdgevoel, van toen ik wandelde en alleen om bloemen en vogels dacht. Wij dwaalden door de limietbosschen, langs zee, Valkeveen en Flevo, we zagen de boomklever en hoorden den winterkoning zingen.’

Om vogels te spotten is een veldkijker handig, en Frederik heeft er minstens één gehad: een exemplaar gemaakt door de firma Carl Zeiss in Jena van het type Turolem 4×, dat geproduceerd werd tussen 1913 en 1926. De veldkijker is voorzien van een leren draagriempje en wordt bewaard in een eveneens leren behuizing, die duidelijke gebruikssporen draagt. Het voorwerp werd in 2020 geschonken door mevrouw Olga van Eeden-Wijtmans, weduwe van Peter van Eeden (1934–2009), een kleinzoon van Frederik.

Bij het tweede voorwerp gaat het om een zakhorloge van Frederik. Het is een eenvoudig exemplaar van het merk Eterna, deels van zilver met merkjes en met de tekst ‘GRAND PRIX BRUXELLES 1910’, duidend op een prijs die de fabri­kant met dit type horloge had behaald. Het horloge is dus niet van vóór 1910. Het werd in 2018 geschonken door de heer Gerrit Jan de Roode, weduwnaar van Elsemarie de Roode-van Eeden (1936–2017), een kleindochter van Frederik en zus van eerdergenoemde Peter. De schenker had het gekregen van zijn schoonvader, Evert van Eeden (1910–1995).

Klaas van der Hoek

Loading